Stedenbouwkundige context
Het pakketpostgebouw is gesitueerd op het in drie fasen aangeplempte stationseiland, aangelegd voor de bouw van het Centraal Station in 1881. De bouw van het station, waarvoor A.L. van Gendt en P.J.H. Cuypers in 1875 de opdracht kregen, werd noodzakelijk geacht om enerzijds een verbinding tot stand te brengen tussen de twee bestaande stations (Willemspoort en Weesperpoort) en anderzijds de stad van een centrale 'toegangspoort' te voorzien. Gesitueerd aan een plein in de as van het Damrak, zou de reiziger via een waardige entree de stad worden ingeleid. In 1924 ontwierp Jos Th.J. Cuypers op de plaats van de oostelijke stationsvleugel het pakketpostgebouw. De langgerekte vorm van het Centraal Station (306 bij 30 meter) maakt de keuze van de architect voor een eveneens horizontaal georganiseerd plattegrondstructuur begrijpelijk. Met de sobere en solide vormgeving stelt het pand zich bijna bescheiden op ten opzichte van het Centraal Station.
Typologie
Het gedeeltelijk onderkelderde pakketpostgebouw telt drie bouwlagen onder een afgeplat schilddak. Het gebouw is opgetrokken op een houten paalfundering, gedeeltelijk op de bestaande fundering van de gesloopte oostelijke vleugel van het stationsgebouw. Voor de kolommen, balken, trappen en vloeren is een gewapend betonconstructie gebruikt. Om de verschillende functies als magazijn, expeditieruimte en kantoorruimte (net als het stationsgebouw) in één bouwvolume onder te brengen, hanteerde de architect een eenvoudige en heldere plattegrondstructuur waarbij de ingangen en trappenhuizen werden ondergebracht in de twee buitenste traveeën, terwijl de drie centrale bouwdelen een grote open ruimte herbergden, bestemd voor opslag en expeditie van postpakketten. Deze laatste ruimte was vanaf perron 2, daar waar vroeger de post per trein werd aangevoerd en afgevoerd, via een tunnel met hellingbaan bereikbaar. Aan de stadszijde werd de post aan- en afgevoerd met bestelauto's en trams die voorreden onder een inmiddels verdwenen luifel. Opvallend is de minimale publieksfunctie van het pand. Slechts achter het meest linker geveldeel was een kleine publieksruimte gesitueerd waar men via balies de bestellingen kon doorgeven aan het erachter gelegen ruime besteladministratiekantoor. De rest van de ruimte was ingericht met kleedkamers, een kaartenkamer, bergruimten en sanitaire voorzieningen voor het personeel. De eerste verdieping vertoonde een identieke plattegrondindeling maar was bestemd voor briefpost. Verschillende goederenliften zorgden voor een snelle 'verticale' verbinding van de poststukken. De kantoorlokalen werden hoofdzakelijk ondergebracht op de tweede verdieping, terwijl de zolder dienst deed als opbergruimte.
Architectonische verschijningsvorm
exterieur
De gevels van het pakketpostgebouw zijn opgemetseld in kruisverband met een tamelijk donkerbruine baksteen; het voegwerk is origineel. Het gehele bouwwerk heeft een symmetrische opzet, met twee tamelijk forse hoekpaviljoens en een middendeel dat licht geaccentueerd is met drie topgeveltjes. Een al te sterk accent was hier niet gewenst, omdat in dit middendeel geen bijzondere functie werd ondergebracht. De symmetrie wordt in het gevelbeeld licht verstoord door toevoegingen zowel aan de west- als aan de oostzijde. Aan de westzijde is een afwijkende, brede travee toegevoegd waarin de hoofdingang van het gebouw was ondergebracht; een gegeven dat mede wordt beklemtoond door een tamelijk imposant portaal dat is uitgevoerd in natuursteen. Aan de oostzijde is een tweede ingang met een wat eenvoudiger portaal gesitueerd, eveneens uitgevoerd in natuursteen, maar daarboven verrijst een zware hoektoren, die een bijna middeleeuws karakter heeft. Het bovenste deel kraagt uit, met een robuuste afronding om de hoek, terwijl men in de sterk verticale raamopeningen op de bovenste verdieping met enige fantasie nog een verwijzing naar kantelen kan vermoeden. Gezien vanaf de oostzijde is dit visueel een dominant gegeven. De detaillering van de gevels is echter ronduit sober. Afgezien van het gebruik van natuursteen bij de ingangen, is het geheel uitgevoerd in een wat grof vermetselde baksteen die passend is voor utiliteitsbouw, ook het voegwerk is weinig verfijnd. Hier en daar, zoals in de borstweringen onder de ramen en in de topgevels, is siermetselwerk toegepast, maar ook dit op bijna zakelijke wijze. De gootlijst kraagt een weinig uit, en is gedeeltelijk vervaardigt met gele baksteen, waardoor een kleurcontrast wordt gevormd met het muurvlak daaronder, dat veel donkerder van kleur is. In deze gootlijst zijn sierstenen met een beeltenis verwerkt, die een grote stilistische overeenkomst vertonen met de sierstenen, eveneens ter hoogte van de gootlijst, van het stationsgebouw. De meest uitbundige decoratie van het gebouw is het fraaie en expressief vormgegeven zink- en loodwerk op het dak van de twee hoekpaviljoens, de dakbedekking van leien is gelukkig nog intact. Helaas is de oorspronkelijke roedeverdeling in de ramen aan de pleinzijde eind jaren tachtig verdwenen, met een vergroving van de textuur van het gebouw als gevolg. Aan de perronzijde is de roedeverdeling behouden. De raamkozijnen zijn hier afgewerkt met een sterk verweerde bruine verflaag, vermoedelijk de originele verf, de roeden zijn wit geschilderd. Het is de vraag of het houtwerk in de ramen aan de pleinzijde in dezelfde kleurstelling was geschilderd, de historische zwart-wit foto's suggereren juist witte kozijnen en donker geschilderde roeden. Op deze foto's is tevens te zien dat de in hout uitgevoerde ingangen voor de post in het middendeel van het gebouw vroeger overkapt zijn geweest. Deze ingangen zijn voor een groot deel van hun betekenis beroofd door de langgerekte en diepe sleuf voor het gebouw, die is gegraven om de fietsenstalling in de kelder toegankelijk te maken.
Interieur
Ondanks een aantal wijzigingen dat zich in het interieur heeft voorgedaan, is een groot deel van de oorspronkelijke structuur nog te herkennen. Met name de open opslag- en expeditieruimten voor de pakket- en briefpoststukken met de in het zicht gelaten kolommenstructuur is nog intact. De overige ruimten zijn door (weliswaar makkelijk te verwijderen) tussenwandjes verdeeld en uitgerust met verlaagde plafonds. Wat betreft de aankleding van het gebouw zijn de twee trappenhuizen, waarvan het trappenhuis achter de hoofdingang in het linker geveldeel het meest gaaf is, vermeldenswaardig. De aandacht voor detail is in deze ruimten groot; een met fraai houtsnijwerk gedecoreerde houten tochtdeur, gevat in een plastisch vormgegeven omlijsting, geeft toegang tot een ruim en licht trapportaal. De deels in beton uitgevoerde bordestrap is uitgerust met traptreden van comblachien en vertoont een fraai gestileerde trapbalustrade, opgebouwd uit siersmeedwerk.
Cultuurhistorische context
Het pakketpostgebouw is in principe een bedrijfsgebouw, of beter gezegd een enorme postmachine. Aanvankelijk werd het postverkeer in het stationsgebouw zelf afgehandeld. De rond de eeuwwisseling ontstane groei van het postverkeer maakte het noodzakelijk om een afzonderlijk postkantoor te bouwen. Al in 1912 was er een bouwplan van Jos Cuypers voor een gebouw aan de noordzijde van het station. Dit kon echter niet gerealiseerd worden door het besluit om aan de noordzijde een tweede stationskap te bouwen. Vervolgens viel het oog op een locatie aan de zuidzijde van het station, ter plekke van de oostelijke bagagevleugel die gesloopt werd. Opmerkelijk is dat Cuypers senior zich klaarblijkelijk had neergelegd bij de sloop van de oostelijke bagagevleugel van zijn stationsgebouw.
Het bekendste gebouw van Jos in de Amsterdamse binnenstad is waarschijnlijk de Effectenbeurs op het Beursplein, voltooid in 1914, het ontwerp is gedateerd 1912. Dit min of meer classicistische gebouw werd bij zijn zeventigste verjaardag gekwalificeerd als 'zijn minste werk'. Het inmiddels op de Rijksmonumentenlijst geplaatst. "In het algemeen", aldus het Bouwkundig Weekblad in 1931, "kan men in het werk van Joseph Cuypers de mentaliteit van den opdrachtgever herkennen". Vandaar dat de Effectenbeurs een 'deftig' karakter heeft. Het pakketpostgebouw heeft een zeer utilitair karakter; het is een echt bedrijfsgebouw. Klaarblijkelijk vond men het niet noodzakelijk om voor deze functie naar een bijzondere architectuur te streven. De postverwerking bleef tot 1968 in het gebouw aan het Stationsplein gehuisvest; toen betrok men het gereedgekomen stationspostkantoor op het oostelijk eiland aan de Oosterdokskade. Het vrijgekomen gebouw werd voornamelijk door de NS voor dienstdoeleinden in gebruik genomen.
Conclusie
Het pakketpostgebouw vormt een uitzonderlijk gegeven in het oeuvre van Jos Cuypers omdat het een bedrijfsgebouw is. Het is cultuurhistorisch van belang als eerste pakketpostgebouw bij het Amsterdamse Centraal Station en als ontwerp van 'de Cuypersen'. Afgezien van de sleuf voor de rijwielstalling en de verdwenen overkapping van de postingangen kan de gaafheid van het geheel redelijk tot goed genoemd worden. Vanwege het voldoen aan bovengenoemde selectiecriteria heeft het gebouw een grote zeldzaamheidswaarde.
Momenteel (03-08-04) vindt een herstelbeurt van de gevels plaats waarbij de ramen en kozijnen waar nodig worden gerestaureerd en voorzien van een nieuwe verflaag. De restauratieve aanpak heeft geleid tot de oorspronkelijke kleurstelling: aan de perronzijde worden de kozijnen voorzien van een donkerbruine verflaag en de ramen van een crèmekleur terwijl de raampartijen aan de pleinzijde een 'omgekeerde' kleurstelling vertonen. Ook het zinken roeven dak en de loden ornamenten zijn gerestaureerd.
Gebruikte bronnen en literatuur
M.M. Bakker, F.M. van de Pol, Architectuur en Stedebouw in Amsterdam, 1850-1940, Monumenten Inventarisatie Project, 1992, p. 113
J. Kleinen, 'Ir. Jos.Th.J. Cuypers 70 jaar', Bouwkundig Weekblad Architectura, 52 (1931), p. 209-211