Stedenbouwkundige context
Het gebouw Levantplein 1-15 ligt op het KNSM-eiland in Amsterdam-Oost. Het vormt samen met aan de westzijde aansluitende Java-eiland één oost-west georiënteerd, langgerekt eiland.
Dit Oostelijk Havengebied bestaat bijna helemaal uit kunstmatige eilanden en schiereilanden die tussen 1874 en 1927 zijn aangelegd. Voorheen lagen hier in buitendijks gebied de Stadsrietlanden en het Zieke Water. Behalve voor rietland werd de grond ten dele ook gebruikt als weidegrond, en ook stonden hier verscheidene (houtzaag)molens. De Amsterdamse havens waren in de tweede helft van de negentiende eeuw aan uitbreiding toe, omdat de zeeschepen steeds groter werden. De begin jaren dertig van de negentiende eeuw aangelegde Wester- en Oosterdokken waren al spoedig niet meer geschikt voor de grotere scheepvaart, en door de aanleg van spoorlijnen naar het Centraal Station waren ze slecht bereikbaar geworden. Door de opening van het Noordzeekanaal in 1876 en nieuwe technische ontwikkelingen als de omschakeling van zeil- naar stoomvaart en de mechanisering van de verlading was een toenemende vraag naar grote opslaggebouwen aan diep havenwater ontstaan. Daarom werd besloten de haven- en entrepotactiviteiten te verplaatsen naar nieuwe havenvoorzieningen langs de IJ-oevers. Al in 1869 had de stadsingenieur J.G. van Niftrik voorgesteld om hiertoe evenwijdig aan de Oosterdoksdijk een kade te bouwen met een spoorverbinding. Zes jaar later werd begonnen met de aanleg van de Oostelijke Handelskade, een twee kilometer lang eiland dat door de 35 meter brede Binnenhaven van de Oosterdoksdijk werd gescheiden en was bedoeld voor de stoomvaart op met name Engeland en Indië. In 1875-1877 werd in de Stadsrietlanden het Spoorwegbassin gegraven en een aantal jaren later volgde de Entrepothaven. In 1890 wordt ten noorden van de Oostelijke Handelskade een golfbreker aangelegd om binnenvaartschepen meer beschutting te geven bij hoge golfslag. In 1896 wordt besloten om hier ook een kade aan te leggen, door verbreding van de golfbreker door middel van aanplemping van bagger uit het Noordzeekanaal. Zo ontstaat een langgerekt eiland met diepzeehavens en grote loodsen. Het oostelijke deel van het eiland wordt vanaf 1903 in gebruik genomen door de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM), vandaar de naam KNSM-eiland. Het westelijke deel van het eiland wordt grotendeels ingenomen door de Stoomvaart Maatschappij Nederland, die vooral op Indië vaart. De dam die wordt aangelegd tussen de IJhaven en de Ertshaven bood plaats aan een weg en een spoorverbinding. Rond 1900 was het Oostelijk Havengebied grotendeels af. De belangrijkste gebruikers van de nieuwe terreinen waren de grote rederijen die geregelde lijndiensten onderhielden op onder meer Indonesië, Suriname en de Verenigde Staten.
Het nieuwe havengebied lag eigenlijk van het begin af aan de verkeerde kant van Amsterdam. Want in 1876 werd het Noordzeekanaal geopend en door de bouw van de Oranjesluizen werd het IJ afgesloten van de Zuiderzee. Toch kende het gebied een bloeiperiode, vooral tussen de wereldoorlogen. Het onontkoombare einde voor een groot deel van de havenactiviteiten alhier kwam echter na de Tweede Wereldoorlog, toen de meeste lijndiensten wegvielen, en het stukgoederentransport plaats maakte voor container- en bulktransport, waarvoor aan de westkant van de stad een havengebied ingericht werd. De passagiersvaart maakte geleidelijk plaats voor de veel snellere luchtvaart. De KNSM was de laatste grote rederij, die het bijltje erbij neergooide in 1979. Vier jaar daarvoor had de gemeenteraad al besloten het Oostelijk Havengebied een woonbestemming te geven. Het terrein moest een grote woondichtheid krijgen, liefst honderd woningen per hectare, voor in totaal zeventienduizend bewoners. Eind jaren negentig wordt begonnen met het voor bewoning geschikt maken van het overgrote deel van het Oostelijk Havengebied. Alle nieuwe havens en bijbehorende bedrijven komen nu verder aan de westkant van de stad. Een aantal van de pakhuizen is gesloopt om plaats te maken voor gebouwen met woon- en kantoorfuncties, maar verscheidene pakhuizen en andere oude gebouwen blijven behouden om te worden herbestemd, waaronder ook het onderhavige pand.
Het gebouw Levantplein 1-15 ligt vrijstaand tussen de oost-west-verlopende KNSM-laan in het noorden, het aan de Ertshaven grenzende Levantplein in het zuiden, en grote woonblokken uit omstreeks 2000 in het oosten en westen. Het Levantplein loopt grotendeels onder het gebouw door doordat het vrijwel geheel op poten staat. Door de ligging aan en over het plein is sprake van een bijzondere situationele waarde.
Gebouwtype en bouwgeschiedenis in hoofdlijnen
Het gebouw is het oude personeelsrestaurant (kantine) van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM), gebouwd in 1959-'60, naar ontwerp van P.J. Verschuyl. De plattegrond is rechthoekig in oost-west-richting, met één bouwlaag, als een glazen doos zwevend boven een open ruimte en ingeklemd tussen gemetselde blokken over twee bouwlagen. De glazen doos, door de blokken ondersteund, maar ook door stalen pijlers, was de eigenlijke kantine, en werd ook gebruikt voor toneel- en andere voorstellingen. Op de westelijke kopse kant is het grootste gemetselde blok, onder een plat dak, met daarin oorspronkelijk de hoofdentree, een brede trap naar de kantine, op de begane grond de garderobe en de toiletgroepen en op de verdieping de keuken. Het blok, dat in lengte en breedte verspringt ten opzichte van de rechthoekige plattegrond, wordt binnengedrongen door het (hogere) volume van de kantine. Op de oostelijke kopse kant is een kleiner blok, dat de kantine ondersteunt, maar niet over de volle breedte, met een secundaire ontsluiting (nooduitgang). Het dak van het kantineblok is een flauw hellend schilddak en bestaat net als de vloer uit betonplaten, opgehangen aan het staalskelet.
In 1991 is het pand verbouwd ten behoeve van een achttal individuele atelierruimtes, die sinds 2001 ook formeel als woon-werkruimtes in gebruik zijn. Hiertoe is de grote ruimte van de kantine in segmenten onderverdeeld. Deze worden aan de onderzijde ontsloten door nieuwe, open ijzeren trappen.
Architectonische verschijningsvorm
Exterieur
Het staalskelet bestaat uit een raster van 3 maal 14 H-profielen, onder de kantine op zeshoekige betonnen basementen,en omgord door betonnen manchetten, waarvan de koppen later zijn afgezaagd. Hierop steunen stalen overkragende liggers met daarop betonnen cassettenplaten, de vloer van de huidge aterlierwoningen.
Het westelijk blok, met het dak lager dan dat van het hoofdvolume, is opgetrokken in oranjerode strengperssteen, de lintvoegen niet afgevoegd, in halfsteensverband. De westelijke gevel is als glaswand uitgevoerd in een stalen frame (ook hier:H-profielen). In het frame zijn stalen deuren opgenomen met grote ruiten over de gehele breedte, onder een vlakke betonnen luifel, met daarboven ruiten in ijzeren ramen. De noordelijke gevel van het westelijk blok heeft een secundaire entree, een geheel stalen deur, met daarnaast twee gekoppelde deuren, eveneens in staal uitgevoerd (elektriciteit). Hiernaast (links) is een klein venster van de toiletgroepen, met brede negge en het kozijn iets uitgebouwd. De oostelijke gevel, waar de kantine in doordringt, bevat op de begane grond vijf vierkante tweeruits vensters en een zesde tot deuropening gewijzigd venster, op regelmatige afstand. De negge en lichte uitbouw van de vensterkozijnen zijn als aan de noordelijke gevel. De zuidelijke gevel bevat op beide bouwlagen drie vierkante vensters met ondiepe negge, de vensters op de verdieping later toegevoegd.
Het oostelijke blok, met de nooduitgang, ondersteunt de noordelijke hoek van de kantine: drie in oranje strengperssteen opgemetselde gevels met buiten de omtrek van de kantine, een glazen uitbouw in een stalen frame voor de entree, een dubbele stalen glasdeur. Omdat de entree buiten de omtrek van de kantine is geplaatst, is hierboven een overkragende betonnen luifel ontworpen. Voor de entree ligt een betonnen bordesje dat is betegeld met blauwe en zwarte tegels, waarop twee korte eenvoudige balustrades van ronde stalen buis staan op de oostelijke hoeken. De tussenliggende kantinedoos heeft aan beide lange zijden vliesgevels met aan de uiteinden grindbetonnen platen, net als aan de kopse kant. De lange gevels zijn eenvormig en nagenoeg identiek aan elkaar. Ze volgen de traveeverdeling van de pijlers onder het gebouw. De elf grote vensters, die vrijwel de hele gevelhoogte beslaan zijn opgebouwd uit forse, licht vooruitstekende lichtblauwe stalen kozijnen in het midden, met smalle stalen kozijnen rondom. Aan de uiteinden zijn de gevels meer gesloten, bekleed met platen van grindbeton met licht uitstekende verticale profielen. Aan de noordzijde van de lange gevel bevatten deze gedeeltes, zowel links als rechts, drie vierkante licht geprononceerde vensters, terwijl aan de zuidzijde van de lange gevel in het uiteinde rechts een grote opening is met twee tussenstijlen en drie dubbele deuren en daarvoor een eenvoudig, doorlopend Frans balkon. Links, boven het westelijke gemetselde blok zijn in de grindbetonnen platen in een recente periode openslaande deuren opgenomen. De traveegeleding in de noord- en zuidgevel wordt geaccentueerd door de hemelwaterafvoeren, die in het ontwerp geïntegreerd zijn. De oostelijke kopse kant van de kantinedoos is geheel gesloten, terwijl de uitstekende westelijke kopse kant twee vensters met dubbele draairamen en uitstekende kozijnen bevat.
In de sterk overkragende kap van het kantineblok zijn vier kleine opbouwtjes, ongeveer midden boven de uiterste delen van het hoofdvolume met de gesloten gevels, oorspronkelijk bedoeld voor de installaties, nu als lichtkap. De houten kapjes hebben kleine overstekken.
Interieur
Het interieur in de kantine is geheel verdwenen. In het westelijke blok is de voormalige functie nog afleesbaar, hoewel diverse ingrepen de overzichtelijkheid teniet hebben gedaan en de functie zelf obsoleet is geraakt. De betegelde trap die van de hoofdentree naar de verdieping (en de kantine) leidde. Aan weerszijden van de trap zijn, symmetrisch geplaatst, hoge muren over de twee bouwlagen met smalle, wit geglazuurde tegels, de stootvoegen boven elkaar. De smalle maat komt overeen met het formaat baksteen van de buitengevels. Deze betegeling komt ook voor als afwerklaag op de overige binnenmuren. Tussen de hoge muren - na de verbouwing voorzien van tussenvloeren - en de buitenmuren zijn de gangen naar de toiletgroepen met daartussen, achter de trap, de voormalige garderobe. De garderobe en de toiletgroepen zijn gewijzigd. Over de hele vloer van de begane grond, met uitzondering van de toiletten, is een betegeling, gelijk aan die van de trap, maar met donkere biezen in ruitvorm. De betegeling van het trapbordes en de verdieping heeft deze ruitvorm niet. Oorspronkelijk zette het ruitvormige patroon zich wel voort op het bordes.
De vensters van de toiletgroepen zijn met draadglas uitgevoerd. De vensters op de begane grond in de zuidelijke gevel zijn aan de binnenzijde met donkere hardstenen platen omkleed. Als bijzonder detail dienen de verlichtingsarmaturen vermeld te worden in het plafond van de voormalige entreehal, kleine conische kapjes per drie gegroepeerd.
De betonnen kap, net als de vloerplaten met cassetten uitgevoerd, maar ondieper, wordt gedragen door stalen vakwerkliggers.
Cultuurhistorische context
De Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM) was opgericht in 1856 door de Duitser C.J.W. Rahmann, die een stoomvaartdienst van Amsterdam op Hamburg bezat. Rond 1900 vestigde de rederij zich op de plek die nu bekend staat als KNSM-eiland. De bestemmingen voor de rederij zouden met name de Oostzee, Suriname, de Antillen en de Levant worden. Het gebouw vormt één van de weinige overgebleven panden die verwijzen naar het trotse verleden van de KNSM en de zeehavens van het Oostelijk Havengebied in het algemeen.
Het gebouw is kenmerkend voor de architectuur van de jaren vijftig, met name de richting die voortborduurde op de vooroorlogse stijl van het Nieuwe Bouwen met transparante gevels en een zichtbare constructie (een staalskelet met de hoofdfunctie op pilotis), waarbij esthetiek en functionaliteit hand in hand gaan. De functie was meer dan alleen kantine, ook cultuur kwam aan bod en ook daarin is het gebouw kenkermend voor de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Het ontwerp is zorgvuldig vormgegeven met een ontegenzeggelijk esthetisch gevoel, dat onder andere naar voren komt in de grote vensters, de in elkaar geschoven volumes en de entreepartijen. Ook het materiaalgebruik, met het vele glas, de stalen ramen, de gevels van oranjerode strengperssteen en de gevelbekleding met platen van grindbeton, is duidelijk eigentijds en zakelijk, maar wel met een evident esthetisch gevoel verwerkt. Hetzelfde geldt voor het interieur met de vloertegels in verband en de geglazuurde wandbetegeling.
De architect P.J. Verschuyl is naar alle waarschijnlijkheid de zoon van Everwijn Verschuyl (geboren 1871), in Amsterdam geboren en lid van A&A, maar werkzaam en woonachtig in Hilversum. Het is bekend dat één van zijn zoons Pieter Jan heette en de P.J. Verschuyl van de kantine was eveneens gevestigd in Hilversum. Een van de oprichters van de fameuze architectengroep De 8 in 1927 was ook P. J. Verschuyl genaamd. Van hem is bekend dat hij in 1928 De 8 al weer verliet om in de praktijk van zijn vader, gespecialiseerd in villa's, te gaan werken. Er van uit gaande dat het om een en dezelfde persoon gaat, is de KNSM-kantine het enig bekende werk van een van de oprichters van De 8, in een stijl die direct teruggrijpt op het Nieuwe Bouwen, ontworpen door een architect die gedurende een kwart eeuw van zijn werkzame leven jaar nooit op de voorgrond is getreden. Nota bene, zijn vader is twee keer genoemd in het tijdschrift De 8 en Opbouw, Pieter Jan nooit.
Conclusie
De oude bedrijfskantine van de KNSM aan het Levantplein 1-15 heeft een hoge situationele waarde wegens de ligging aan en boven het Levantplein, en heeft een hoge gaafheidswaarde wegens de grotendeels gave en authentieke staat van het exterieur waarin het verkeert. Ook is er sprake van cultuurhistorische waarde als bouwkundig restant van de glorierijke geschiedenis van de KNSM. Het pand heeft ook architectuurhistorische waarde vanwege het bijzondere bouwtype, een transparante zwevende doos op een raster van stalen pijlers, alsmede vanwege de esthetische waarde van de zorgvuldig ontworpen vorm, die typisch is voor de periode van de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Tenslotte is het gebouw zeldzaam omdat het om het vooralsnog om het enig bekende gebouw van P.J. Verschuyl gaat, tevens één van de oprichters van De 8.
Gebruikte bronnen en literatuur
Archief Bureau Monumenten en Archeologie
Ton Heijdra, Kadraaiers & Zeekastelen. Geschiedenis van het oostelijk havengebied, Amsterdam 1993
Ton Heijdra, Zeeburg. Geschiedenis van de Indische Buurt en het Oostelijk Havengebied, Alkmaar 2000
Ben Rebel, het nieuwe bouwen, het functionalisme in Nederland 1918/1945, Assen 1983
http://www.oostelijkhavengebied.nl/navigation/Architectuur/Geschiedenis.html