Redengevende omschrijving (publiek)Stedenbouwkundige context
Het complex Overtoom 197-205, dat werd gebouwd als garage, showroom en werkplaats met bovenwoningen, is gesitueerd aan de zuidzijde van de voormalige Overtoomsevaart, de Overtoom. De Overtoomsevaart is sinds tijden een van de belangrijkste uitvalsroutes van Amsterdam buiten het Singelgrachtgebied waarlangs zich oorspronkelijk met name industriële- en nijverheidsbebouwing concentreerde. In de loop van de negentiende eeuw werd het landelijke gebied ook aantrekkelijk voor stadsbewoners die er buitenverblijven tot stand brachten. Met de afbraak van de vestingmuren en de aanleg van de Vondelparkbuurt, veranderde het karakter naar meer stedelijk gebied. De Overtoomsevaart, zoals de (vaar)verkeersader tot de demping in 1903 heette, behield echter haar functie als uitvalsroute en werd sinds de komst van het gemotoriseerd verkeer een belangrijke vestigingsplaats voor de autoindustrie, andere transportmiddelen en winkels. Het voormalige garagecomplex past goed in de traditie van toeleveringsbedrijven aan de Overtoom en gaat geruisloos op in de heterogene bebouwing die een grote variatie aan ouderdom, massa en hoogte vertoont.
Typologie en korte bouwgeschiedenis
De Reparatie Inrichting voor Automobielen (R.I.V.A.) van C.L. de Groot diende in 1926 een bouwaanvraag in voor het veranderen van winkels onder de bovenwoningen in showrooms met een achtergelegen magazijn en werkplaatsen op nummer 203-205. Het oorspronkelijke bouwjaar van dit bouwdeel is onbekend, maar vermoedelijk is het niet veel eerder tot stand gekomen. Daarnaast betrof de aanvraag het tot stand brengen van een vergelijkbaar vormgegeven bouwwerk, eveneens met een showroom en bovenwoningen op nummer 201-203. Bovendien omvatte de aanvraag het bouwen van een hoge parkeergarage met aansluitend een grote hal die zich aan de achterzijde van het complex uitstrekte, en showrooms aan de straatzijde op Overtoom 197-199. Dit alles naar ontwerp van H. van Jaarsveld jr. De bouw van het complex begon met de verbouwing van de winkels in het westelijke gedeelte van het complex en werkte men richting het oosten.
Het complex telt boven de begane grond vier verdiepingen, waarbij het meest oostelijk gelegen gedeelte, waarin de voormalige parkeergarage was gehuisvest, enkele meters hoger is opgetrokken. Het complex werd oorspronkelijk ontsloten door twee poorten voor de auto's en vrachtwagens (O). In het midden van het complex was een open plaats die via beide poorten te bereiken was. Rondom de open plaats - met overdekte wasplaats - waren de verschillende ruimtes met verschillende functies gegroepeerd. De showrooms, kantoorruimtes en de winkel voor motoronderdelen waren eveneens toegankelijk vanaf de straat. Ook de verdiepingen werden ontsloten in de puien, via aansluitende trappenhuizen.
De westelijke poort werd in de loop der tijd dichtgezet. De oostelijke poort in de voormalige parkeergarage sluit via een doorgang aan op de twee liften van de in 1906 opgerichte Haagse firma Schindler die de auto's naar de verdiepingen brachten. De ruimtes ter weerszijden van de doorgang waren ingericht als showroom, tegenwoordig enerzijds (O) als kantoorruimte, anderzijds (W) als trappenhuis. Naast de liften is aan de oostzijde het brandtrappenhuis gesitueerd. Ten westen van de liften leidt een doorgang - langs de voormalige open plaats - naar de hal aan de achterzijde van het bouwwerk. Langs de wanden waren ruim 20 boxgarages gerealiseerd, terwijl in het midden onder de lichtkap ruimte was voor 8 vrachtwagens. Op de eerste, tweede en derde verdieping waren eveneens boxgarages tot stand gebracht, per verdieping 5 mogelijk 6 boxen, die met ijzeren luiken afgesloten konden worden. De vierde verdieping was ingericht als montagehal met een draaiplateau in het midden om de ruimte zo nuttig mogelijk te besteden.
De werkplaatsen in het lagere gedeelte van het complex werden eveneens ontsloten via een (lagere) poort; de showrooms waren toegankelijk via puideuren. Deze poort is in de loop der tijd dichtgezet.
In 1938 werd de garagehal aan de achterzijde uitgebreid. De hal had destijds de functie van (auto)werkplaats. De parkeergarage op 197-199 werd in 1959 aangepast. De eerste verdieping werd bestemd tot showroom en kantoor; de tweede verdieping werd bestemd tot kantoren en was- en kleedlokaal. In 1987 verandert de bestemming van de parkeergarage in een veilinggebouw. Tegenwoordig is de parkeergarage in gebruik bij een autoverhuurbedrijf en zijn de voormalige showrooms, het magazijn en de werkplaats op nummer 201-205 in gebruik als winkel.
De betonconstructie werd destijds door Indubeton, Amsterdam-Heerlen, gerealiseerd.
Architectonische verschijningsvorm
Exterieur
De verschijningsvorm van het voormalige garagecomplex wordt gekenmerkt door twee in hoogte verschillende bouwvolumes waarin duidelijk de verschillen in functie van met name de verdiepingen, enerzijds bovenwoningen (W) en anderzijds parkeergarage (O), zijn te herkennen. De puizone van het complex is als een op zichzelf staand onderdeel vormgegeven en vormt het bindende element tussen de twee volumes. De vormgeving van het complex - verschillende bouwvolumes voor de verschillende functies, uitgewerkt met een expressionistische detaillering - is gebruikelijk voor die tijd.
De geleding van het complex wordt bepaald door een vaste beukmaat die werd bepaald door de beukmaat in het bestaande en meest westelijke bouwdeel en die zowel in het oostelijke als in het westelijke bouwvolume is doorgevoerd. Opmerkelijk is het feit dat de nieuwbouw met de bovenwoningen identiek is aan het bestaande bouwdeel vormgegeven. In de puizone is de beukmaat te herkennen aan de regelmatige afstand tussen de pijlers, waartussen de grote etalageruiten zijn geplaatst, oorspronkelijk voorzien van bovenlichten met stroken van kleine ruitjes. Op plinthoogte zijn grof gebosseerde natuurstenen platen aangebracht, terwijl de pui wordt beëindigd door een brede wit geschilderde band, die tegenwoordig schuil gaat achter reclamebelettering. Oorspronkelijk waren zowel de pijlers als de brede band voorzien van tegelwerk. Een verhoging van de band benadrukt de poort naar de parkeergarage.
Op de woonverdiepingen wordt de verticale geleding bepaald door de vensters, waartussen decoratieve lisenen zijn aangebracht, die ook de hoeken van de parkeergarage sieren. Binnen elke beuk zijn een smal venster en een breed driedelig venster geplaatst, waarbij achter de kamers met de smalle vensters de trappenhuizen zijn gesitueerd. Terwijl de buitenste en smalle vensterassen zijn voorzien van schuifvensters, zijn de overige smalle vensterassen voorzien van tweedelige vensters, waarbij de twee delen onder een flauwe hoek zijn geplaatst. In de bovenlichten van alle vensters zijn, evenals bij de oorspronkelijke etalagevensters op de begane grond, horizontale roeden aangebracht, waardoor de verticale geleding wordt benadrukt. Door de vensters op de vierde verdieping beduidend lager vorm te geven creëerde Van Jaarsveld door het meer gesloten gevelvlak een zone die de gevel visueel beëindigt.
De parkeergarage wordt gekenmerkt door symmetrie in de drie beuken van het gebouw. Boven de brede toegangspoort wordt het middelste en hogere bouwdeel benadrukt door de betonnen balkons die op elke verdieping zijn aangebracht, voorzien van fraai versierd hekwerk. Zowel de ramen als de balkondeuren waren oorspronkelijk van zowel verticale als horizontale roeden voorzien, evenals de schuifvensters in de flankerende bouwdelen, zoals nog het geval is op de derde verdieping. Boven de vensters zijn kleine gevelopeningen aangebracht die naast hun decoratieve functie mogelijk ook voor ventilatie zorgden. Evenals bij het westelijke bouwdeel zijn ook hier de vensters op de vierde verdieping wat lager en vormt ook hier de vierde verdieping de beëindiging van de gevel, waarbij de dakrand van dit bouwdeel, evenals het westelijke bouwvolume, is voorzien van een decoratieve loden band. De lijnvoering in de decoraties die in het hekwerk op de balkons zijn aangebracht zijn ook te herkennen in de natuurstenen regenvergaarbakken op de hoeken. Zeer fraai is de wijze waarop de aansluitende regenpijpen zijn geïntegreerd in de glijdend uitgemetselde gevel, vergelijkbaar met de vormgeving van de lisenen in het westelijk gelegen bouwdeel.
Vermeldenswaardig is de tekst die in de pijler rechts (O) naast de poort is aangebracht en helaas vrijwel onleesbaar is. Vermoedelijk gaat om een eerste steen.
Interieur
Alleen de begane grond van de parkeergarage is bezocht. De oorspronkelijke indeling is grotendeels bewaard gebleven. De voormalige showrooms ter weerszijden van de poort zijn aangepast aan hun huidige functie. De liften zijn hoogstwaarschijnlijk grotendeels origineel, evenals de achtergelegen grote hal. De dakbedekking is gemoderniseerd, maar de stalen vakwerkspantconstructie met de geklonken verbindingen is oorspronkelijk.
Cultuurhistorische context
Gezien de afbeeldingen in de beeldbank werden in het complex DMC's en Chevrolets verkocht. Het dealership voor Ford was het belangrijkste. Vooralsnog zijn er geen bronnen te vinden die dit bevestigen, maar hoogstwaarschijnlijk heeft Henri Ford zelf het complex in 1927 geopend. Vermeldenswaardig is het feit dat Albert Heijn destijds een meerderheidsbelang in R.I.V.A. had.
Ondanks het feit dat in de jaren twintig autobezit een luxe was, groeide het aantal auto's snel. In 1925 had 1 op de 100 Amsterdammers een auto, wat zo'n 7000 auto's in de stad betekende (Bouwbedrijf IV, 1927, p.326). Daarmee groeide ook de noodzaak tot de bouw van garages. De auto's waren toentertijd nog niet goed bestand tegen regen, waardoor een overdekte standplaats belangrijk was. De functie van de Overtoom als uitvalsroute maakte deze straat een uitermate geschikte locatie voor de parkeergarage, werkplaats en showroom.
Voor grote parkeergarages bestond destijds in Nederland nog geen typologie. Wel verschenen er studies, waarin het vraagstuk van het stallen van grote aantallen personenauto's werd behandeld. Bovendien kon men in het buitenland de kunst afkijken, bijvoorbeeld Amerika, waar wel al grote parkeergarages waren verrezen. Bij voorkeur werden de parkeergarages gecombineerd met werkplaatsen, wasplaatsen en showrooms en hetzij in het centrum dan wel aan een uitvalsweg gesitueerd. In het Bouwbedrijf van november 1926 worden de verschillende mogelijkheden besproken, gebaseerd op de studie van de vooraanstaande dr.ing. Georg Müller. Hoogbouw of laagbouw, boxen dan wel vrije plaatsen, een loodrechte of een schuine opstelling, met lift of zonder lift zijn kwesties die aan de orde komen. De boxgarages zoals die aan de Overtoom, blijken veel ruimte in te nemen, terwijl de liften juist weer ruimtebesparend zijn. Opvallend is het feit dat de schrijver stelt dat het gebruik van liften ten behoeve van stalling zelfs in Amerika nog niet algemeen is in verband met bedrijfsstoring en brand. In dit opzicht is de Overtoomgarage een koploper. Naast allerlei andere noodvoorzieningen waren de liften in de garage ook handmatig te bedienen.
In aansluiting op het bovenstaande artikel van de Delftse prof.ir. R.L.A. Schoemaker, stelt ir. M.E.H. Tjaden, directeur van Bouw- en Woningtoezicht het vraagstuk voor Amsterdam aan de orde, waarbij hij de tijdens zijn studiereis bezochte parkeergarages in Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland beschrijft (Bouwbedrijf IV, 1927, p.326-328). Mogelijk was Van Jaarsveld ook bekend met deze voorbeelden, mogelijk zelfs met de Amerikaanse. Over hem is, afgezien van zijn lidmaatschap van Architectura en Amicitia, vooralsnog weinig bekend.
In het algemeen wordt aangenomen dat de van rijkswege beschermde Torengarage in Den Haag uit 1929, destijds eveneens door R.I.V.A. opgericht, de eerste parkeergarage met meerdere verdiepingen van Nederland is. De garage aan de Overtoom is weliswaar kleiner - ruim 35 plaatsen in tegenstelling tot de 400 in de Torengarage, maar wel degelijk ouder. Met het oog op een eventuele bescherming van rijkswege is nader onderzoek opportuun. In Amsterdam werd de garage aan de Overtoom als snel gevolgd door de Citroën-garage van Jan Wils uit 1931 aan het Stadionplein.
Conclusie
Het garagecomplex Overtoom 197-205 is typologisch van belang als hoogstwaarschijnlijk de eerste parkeergarage met verdiepingen in Amsterdam. Daarnaast is het bouwwerk architectuurhistorisch van belang vanwege de esthetische kwaliteiten die gelegen zijn in de zorgvuldige uitwerking van het ontwerp, terughoudend vormgegeven met niettemin een expressionistische detaillering. Bovendien is het complex grotendeels gaaf, zowel in hoofdvorm als in detail. Cultuurhistorisch is het pand van waarde omdat de moderne functie goed aansluit bij de functie die de Overtoom als vanouds heeft als uitvalsweg, waaraan vanaf de middeleeuwen wagenmakerijen en bedrijven gevestigd waren. Met het oog op een eventuele bescherming van rijkswege is nader onderzoek opportuun.
Bronnen en literatuur
onbekend, 'De eerste hooge garage te Amsterdam', Bouwbedrijf IV, 1927, p.329-330
Bureau Monumenten en Archeologie, pandendossiers
Gemeentearchief Amsterdam, Beeldbank
Schoemaker, prof.ir. R.L.A., 'Het garage-vraagstuk in de groote steden', Bouwbedrijf III, 1926, p.450-453
Tjaden, ir. M.E.H. Tjaden, 'Het garage-vraagstuk in de groote steden', Bouwbedrijf IV, 1927, p.326-328
Ton Heijdra, De victorie begint in Oud-West, Alkmaar 2001