Redengevende omschrijving (publiek)Stedenbouwkundige context
Dit uit winkels en bovenwoningen bestaande complex maakt deel uit van de Transvaalbuurt (ook wel bekend als de Afrikaanderbuurt) in Amsterdam-Oost. Deze buurt vormt de overgang tussen de Oosterparkbuurt en de zuidelijker gelegen Watergraafsmeer. De Oosterparkbuurt kwam tot stand op basis van een uitbreidingsplan uit 1875-1876, terwijl de Watergraafsmeer tot 1921 een onafhankelijke gemeente vormde en daarna werd opgenomen in de Amsterdamse uitbreidingsgolf. Nog altijd wijst de langs de zuidzijde van de Transvaalbuurt gelegen Ringvaart op de oude grens tussen de hoofdstad en de Watergraafsmeerpolder.
Het gebied van de Transvaalbuurt maakte deel uit van de Overamstelse Polder en behoorde al voor de annexaties van 1921 tot het hoofdstedelijke grondgebied. De wijk werd vanaf 1903 aangelegd naar plannen van architect H.P. Berlage en vormde een eerste aanzet voor de Gordel '20-'40 die als een ring rondom de negentiende-eeuwse schil van Amsterdam kwam te liggen. Op de al bestaande straten nabij de Ringvaart en van voor de prestedelijke periode, zoals de Transvaalkade en Paardekraalstraat, werden de straten in het meest zuidelijke deel van de Transvaalbuurt aangetakt. In de overige opzet van de buurt gaf Berlage - net als in zijn latere Plan Zuid uit 1915-1917 - een antwoord op de vraag hoe men functioneel en esthetisch een stadsuitbreiding moest ontwerpen. Het is dan ook in de ware zin van het woord 'stadsbouwkunst'. Karakteristiek is de samenhang tussen de hiërarchische en in hoofdzaak bloksgewijze stedenbouwkundige opzet van hoofdassen en secundaire straten, de architectuur van de straatwanden en de aandacht voor in het oog vallende accenten. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de opzet van de Pretoriusstraat die als een hoofdas in de wijk fungeert. Halverwege de Pretoriusstraat projecteerde Berlage het Pretoriusplein (nu Steve Bikoplein) dat ruim werd opgezet en een onderbreking vormt van de rechtlijnige straat. Ook hier kwamen (door verschillende architecten ontworpen) gevelwanden die net als de overige woonblokken in de Transvaalbuurt een einheitliches Blockfront vertegenwoordigen. Het intiemere karakter van de wijk blijkt vooral in de zijstraten van de Pretoriusstraat. De buurt wordt omsloten door de Linnaeusstraat (oostzijde), de spoorlijn langs de Tugelaweg (noordkant), de drukke Wibautstraat (westzijde) en de nog vrij landelijke Transvaalkade met Ringvaart (zuidzijde). De Transvaalbuurt was een typische wijk voor arbeiders en lagere middenstand en had tot aan de oorlog een relatief hoge concentratie van joodse bewoners.
Onderhavig complex staat op de plaats waar de Pretoriusstraat aansluit op de Linnaeusstraat en daarmee op de oude stad. Berlage ontwierp bij deze aansluiting de twee onderhavige gevelwanden die de toegang tot de wijk markeren door hun schuin terugwijkende ligging aan een pleintje en de op de hoeken gelegen topgevels en erkers. De blokken zijn grotendeels identiek van opzet, met dat verschil dat het noordelijk blok aan de Linnaeusstraat twee woontraveeën langer is dan het zuidelijk. Op de begane grond kwamen wijkwinkels en ook verder aan de Pretoriusstraat werden winkels geconcentreerd, waardoor deze straat tot op de dag van vandaag een belangrijke rol speelt in de sociale cohesie van de buurt.
Gebouwtype en bouwgeschiedenis in hoofdlijnen
H.P. Berlage ontwierp de twee woningblokken voor de arbeidersklasse en de lagere middenstand. Hij bouwde ze in 1905 als twee van de eerste gebouwen in de net aangelegde wijk. Beide blokken bestaan uit langs de doorgaande straten gelegen 'hoekpaviljoens' met een rechthoekige plattegrond en een aan het pleintje gelegen schuin 'verbindingslid' dat eveneens een rechthoekige plattegrond heeft. De bouwdelen aan het pleintje tellen vijf bouwlagen en een zolderverdieping onder een zadeldak met de nok evenwijdig aan de straatgevels. De bouwdelen aan de doorgaande straten tellen vier bouwlagen en een zolderverdieping onder een plat dak met langslopend schuin voorschild. Op de grens met de belendende bebouwing hebben deze bouwdelen een kleine topgevel die met een zadeldakje in het schuine voorschild insteken. De diverse winkels worden door eigen ingangen ontsloten. Op regelmatige afstanden worden de etalages afgewisseld door de ingangen van de bovenwoningen, deels als enkele ingangen op de uiteinden van beide blokken en deels gekoppeld in portieken in de schuine delen van het complex. Op de overgang tussen de bouwdelen op de hoeken en de schuine delen van het complex worden de trappenhuizen geaccentueerd door licht gebogen uitbouwen.
In een recente periode is het complex gerenoveerd, hetgeen tot vervanging van het merendeel van de oorspronkelijke ramen heeft geleid. Enkele vensters en het merendeel van de woningingangen behielden hun originele invulling. Het zuidelijk blok heeft een niet-oorspronkelijke luifel over bijna de gehele breedte van de begane grond.
Architectonische verschijningsvorm
Exterieur
De verschijningsvorm van het complex wordt gekenmerkt door een symmetrische opzet van twee nagenoeg identiek uitgevoerde woningblokken. De gevels zijn gemetseld in bruine baksteen in kruisverband en hebben hardstenen aanzetstenen bij de strekken die de gevelopeningen ontlasten. De daken zijn gedekt met zowel gesmoorde als roodgeglazuurde (kruis)pannen. Op de daken bevinden zich meerdere schoorstenen en dakkapellen.
De begane grond van beide bouwblokken heeft een natuurstenen plint en muurdammen die de etalagepuien en toegangen van de winkels, en de ingangen van de woningen onderling scheiden. Het merendeel van het natuursteen is overgeschilderd. De ingangsportieken van de woningen bevatten de oorspronkelijke paneeldeuren met raampjes. De vijflaags bouwdelen hebben op de tweede tot en met vierde bouwlaag reeksen van per twee gekoppelde schuifvensters met een natuurstenen onderdorpel en aanzetstenen in de strek. Op de vijfde bouwlaag bevinden zich kleinere vensters, eveneens met een natuurstenen onderdorpel en aanzetstenen in de strek. Op de grens tussen de schuine en rechte geveldelen bevindt zich een kwartronde uitbouw van het trappenhuis. Deze hebben op elke bouwlaag drie smalle gekoppelde vensters, met originele houten schuiframen en deels nog met glas-in-lood. Ze worden bekroond door met zink bedekte tentdakjes. Vanaf de vijfde bouwlaag kraagt het metselwerk uit en is ter plaatse van de kwartronde traphuisuitbouwen vormgegeven als consoles.
Op de hoeken met de Linnaeusstraat en Pretoriusstraat hebben beide bouwdelen een erker die van de eerste tot aan de vijfde bouwlaag doorloopt en steunen op plastische sierconsoles. De erkers hebben afgeschuinde hoeken en worden beëindigd door schilddakjes met zinkdekking. Op deze hoeken zijn de gevels bovendien voorzien van een topgevel met een enkel venster met een natuurstenen onderdorpel en aanzetstenen in de strek, een hijshaak, een smalle vensteropening in de geveltop en een getande en uitkragend sierlijst met natuurstenen sluitsteen als beëindiging van de puntgevel.
De gevels aan de Linnaeusstraat en Pretoriusstraat hebben kleine balkons, deels nog met de oorspronkelijke smeedijzeren sierhekken. Het rechter blok aan de Linnaeusstraat heeft grotendeels nog de oorspronkelijke ramen en balkondeuren, met bovenlichten met veelruits roedenverdeling.
Sobere bakstenen siermetselwerkstroken vormen in het gehele complex de gevelbeëindiging, maar langs de schuine bouwdelen markeren ze de overgang naar een 'mezzanino' waardoor de gevelwanden hier hoger zijn doorgestoken dan langs de doorgaande straten waar juist bakstenen dakkapellen zijn toegepast.
Interieur
Het interieur van het complex is niet bekeken en niet bij de beoordeling betrokken. Mogelijk is er nog sprake van een monumentwaardige indeling en/of interieurelementen.
Cultuurhistorische context
De architect Hendricus Petrus Berlage (1856-1934) is één van de bekendste Nederlandse architecten, die tevens een internationale reputatie geniet. Na in dienst te zijn geweest bij het architectenbureau van Th. Sanders, wiens compagnon hij later werd, begon hij in 1889 als zelfstandig architect. De opdracht voor het nieuwe Beursgebouw aan het Damrak (1896) betekende zijn grote doorbraak. Dit in 1903 voltooide gebouw toont de vernieuwende rationalistische vormentaal van Berlage, met de nadruk op materiaal- en constructiewaarheid en slechts functionele decoratie. Berlage ging uit van het principe van Gemeenschapskunst en liet zich inspireren door het socialistische gedachtegoed waarvan hij een fervent pleitbezorger was. De diverse opdrachten die hij ontving, omvatten een groot aantal ontwerpen voor volkswoningbouw, onder meer in Amsterdam Noord. Beroemd is zijn stedenbouwkundig ontwerp voor het Plan Zuid (1915-1917).
De door hem ontworpen Transvaalbuurt vormt een voorloper op het Plan Zuid en is een eerste blauwdruk die inzicht geeft in Berlage's ideeën over stedenbouw en architectuur. Het onderhavige complex geldt dan als de concretisering van datgene wat de architect in zijn in 1893 gehouden lezing over Bouwkunst en Impressionisme te berde had gebracht, een spraakmakende redevoering die een jaar later in Architectura zou worden gepubliceerd en die mede aan de basis stond van de vernieuwende architectuur in de twintigste eeuw. Berlage benadrukte dat afstand moest worden gedaan van de tot dan toe geldende stijlregels. De architect diende op te houden met het "gescharrel met de vroegere vormen" en zich juist te concentreren op de grote lijn en de ongedetailleerde massaverdeling. Verder was hij van mening dat de architect een 'impressionist' moest zijn die zich zou richten op de manier waarop de beschouwer een gebouw 'ontvangt'. Juist de subjectieve ervaring diende het uitgangspunt te zijn.
Deze afkeer van historiserende retoriek en academisme zette Berlage in zijn vroege oeuvre om in de bekende ontwerpen voor enkele Amsterdamse en Haagse verzekeringskantoren: het gebouw van De Algemeene aan het Damrak (1892-1894, afgebrand in 1963) en van De Nederlanden van 1845 aan het Muntplein (1894-1895), en aan het Kerkplein in Den Haag (1895). De Beurs aan het Damrak vormde de sublimatie van de vereenvoudigingsprincipes en betekende een radicale breuk met het verleden.
Ook de twee bouwblokken bij de entree van de Pretoriusstraat weerspiegelen Berlage's gedachtegoed. De gevels tonen slechts functionele decoratie in de vorm van de aanzetstenen van vensterstrekken, de plastisch gelede erkerconsoles, of de ijzeren sierhekken van balkons. Door een sterke nadruk op hun stedenbouwkundige functie als poortgebouwen van de Transvaalbuurt appelleren de blokken sterk aan de subjectieve ervaring van de beschouwer, die via de sober gelede gevels naar de Pretoriusstraat wordt geleid. De symmetrisch gelede topgevels, uitgebouwde trappenhuizen en hoekerkers spelen daarbij een belangrijke rol.
Conclusie
Het complex heeft stedenbouwkundige waarde vanwege de opzet van twee identieke blokken aan weerskanten van de Pretoriusstraat, en vanwege de terugwijkend ligging aan een pleintje langs de Linnaeusstraat. Berlage voerde de gebouwen uit als poortgebouwen bij de entree tot de Transvaalbuurt, een wijk waarvan hij eveneens het stedenbouwkundig plan tekende en die de aanzet vormt voor de latere stadsuitbreidingen van de Ring '20-'40. In zijn opzet wijst het complex vooruit naar Berlage's Plan Zuid, en is als zodanig een geslaagd voorbeeld van de manier waarop het geschrevene uit Bouwkunst en Impressionisme in de praktijk werd gebracht. Daarom is het van belang voor de ideevorming over de stedenbouwkundige ontwikkeling van Amsterdam en vertegenwoordigt daarmee ook cultuurhistorische waarde. Het uit winkels en bovenwoningen bestaande complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de zorgvuldige uitwerking van het evenwichtig en symmetrisch vormgegeven ontwerp. In zijn sobere opzet en vormgeving met enkele markante accenten zoals uitgebouwde trappenhuizen en opmerkelijke hoekpartijen met topgevels geven de twee blokken een goede indruk van het oeuvre van de vermaarde Amsterdamse architect H.P. Berlage. Ze weerspiegelen diens ideeën zoals hij die verwoordde in zijn spraakmakende lezing over Bouwkunst en Impressionisme die een belangrijke betekenis heeft gehad voor de vernieuwing van de Nederlandse bouwkunst. Ondanks enige ingrijpende wijzigingen bleef het complex grotendeels gaaf behouden. Het is wenselijk om de kozijnen en luifel restauratief aan te pakken, zodat de architectonische zorgvuldig ontworpen gevels en de eenheid daarvan wordt verbeterd en versterkt.
Bronnen en literatuur
Archief Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam
Bergeijk, H. van, De Steen van Berlage. Theorie en praktijk van de architectuur rond 1895, Rotterdam 2003
Berlage, H.P., 'Bouwkunst en Impressionisme', in: Architectura 2 (1894), nr. 22, p. 93-95; nr. 23, p. 98-100; nr. 24, p. 105-106, nr. 25, p. 109-110
Gemeente Archief Amsterdam, beeldbank
Haaren, M. van, e.a. (red), Atlas van de 19de-eeuwse ring, Amsterdam 2004
Heijdra, T., Transvaalbuurt: een geschiedenis vol idealen, Alkmaar 1997
Meijer, R. (eindred), Atlas Gordel 20-40, Amsterdam 2000