Redengevende omschrijving (publiek)Stedenbouwkundige context
Het onderhavige bouwwerk bevindt zich in stadsdeel Oost en wel in de Oosterparkbuurt, een wijk die net als de nabijgelegen wijken de Pijp, de Dapperbuurt, de Transvaalbuurt en de Indische Buurt is ontstaan in de tweede helft van de negentiende eeuw. De ruwweg in de oksel van de Singelgracht en de Amstel gelegen Oosterparkbuurt ontstond in het kader van het uitbreidingsplan van J. Kalff uit 1875-1876. In dit plan werd het Oosterpark geprojecteerd op de plek van de voormalige Oosterbegraafplaats, in de oude Overamstelse polder. Het park werd in 1894 geopend. Direct rondom het park waren brede wegen aangelegd waarlangs luxe bebouwing gerealiseerd zou worden. In de rest van de wijk waren smallere straten in eerste instantie bestemd voor burger- en arbeidersbebouwing, maar hier verrezen uiteindelijk aaneengesloten reeksen etagewoningen. Door de relatief goedkope grond verrezen er in deze buurt bovendien enkele grootschalige gebouwen en complexen zoals het Burgerziekenhuis (1889-1891), het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (1895-1899) en het Koloniaal Instituut (1917-1925). De wijkaanleg wordt in hoofdzaak gekenmerkt door een rastervormig patroon, veelal gebaseerd op het oude stramien van de polderverkavelingen en gedempte sloten. Aan de Weesperzijde, die parallel aan de Amstel loopt, verrezen vanaf circa 1880 ruime woningen voor de gegoede burgerij. Door de vele herenhuizen kreeg de Weesperzijde het karakter van een monumentale laan en een representatieve begeleiding van de Amstel. Ook de buitengrenzen van wijken als de Pijp werden aan de Amstelzijde bestemd voor herenhuizen en stadsvilla’s.
De in oost-westrichting lopende Blasiusstraat is een zijstraat tussen de Weesperzijde en het direct ten westen van het Oosterpark gelegen complex van het (vernieuwde) Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Door de brede Wibautstraat die in het midden van de twintigste eeuw als een ruime allee met kantoorbebouwing is aangelegd, wordt de straat in tweeën gedeeld. Deze stadsdoorbraak vormt een vrij ‘brute’ scheidslijn in de Blasiusstraat. Vooral in het gedeelte ten westen van de Wibautstraat wordt de Blasiusstraat nog gekenmerkt door een negentiende-eeuws karakter met gevelwanden die uit etagewoningen bestaan. Ten oosten van de Wibautstraat overheerst juist de twintigste-eeuwse en vooral ook naoorlogse bebouwing. Het onderhavige bouwwerk bevindt zich in het oostelijke deel. Hier staat het object aan de zuidzijde van de straat. Behalve door de Wibautstraat en de Blasiusstraat wordt het betreffende bouwblok omkaderd door de Camperstraat (oostkant) en de Eerste Oosterparkstraat (zuidzijde). Blasiusstraat 124 maakt deel uit van een aaneengesloten gevelwand en ligt aan de rechterzijde ingeklemd tussen een laat negentiende-eeuws complex met etagewoningen en aan de linkerkant tussen naoorlogse etagewoningen. Het bouwwerk sluit direct aan op de rooilijn en neemt door zijn vormgeving vooral ten opzichte van de oudere buurpanden een eigenzinnige positie in. Slechts door de verdiepinghoogtes correspondeert de bouwmassa met de naastgelegen panden.
Gebouwtype en bouwgeschiedenis in hoofdlijnen
In 1953 liet de in Utrecht woonachtige mevr. F.J.H. van Hoogenhuijze - de Wetstein Pfister het pand bouwen. De Roermondse architect Bob Booms leverde het ontwerp. Het bouwwerk beslaat een negentiende-eeuwse kavel waarvan de voorgaande bebouwing geheel is
verdwenen. Het pand is opgezet als een winkel met drie bovenwoningen, en aan de achterzijde een gemeenschappelijke tuin met vier bergingen. Booms realiseerde het gebouw op een rechthoekige plattegrond. De bouwmassa telt vijf bouwlagen. De vijfde bouwlaag
betreft een dakopbouw die er later is opgebouwd (1999). Via een tegen de linker zijmuur gesitueerde, inpandige portiek is enerzijds de winkel bereikbaar en anderzijds de ingang die via een trappenhuis toegang biedt tot de bovenwoningen.
Architectonische verschijningsvorm
Exterieur
Het pand heeft een asymmetrische indeling van twee traveeën breed. Het pand is opgetrokken in donker- en mintgroen geschilderd beton. De voorgevel wordt gekenmerkt door de in het zicht gelaten betonpijlers waarin terugwijkende geveldelen zijn gevat. Deze
gevelvakken zijn ingevuld met vensters en hierbij vensterplinten die bestaan uit betonreliëfs met cannelures. Op de begane grond wordt de asymmetrische opzet bepaald door de links gesitueerde ruime portiek met een grijze tegelvloer en een achterin gelegen ingangspartij. Deze bevat een oorspronkelijke houten deur met roedenverdeling en aan weerskanten gelegen brievenbuskasten en nevenlichten. De winkelingang ligt in de rechter portiekwang en maakt deel uit van een langs de voorgevel doorlopend etalagevenster. Dit venster heeft een onderdorpel op klossen en een ter bescherming van het venster geplaatst ijzeren sierhek. De bovenverdiepingen zijn alle identiek en bevatten elk twee vensterpartijen met oorspronkelijke draairamen met roedenverdeling. Rechts maken de vensters deel uit van een pui die via een dubbele balkondeur toegang biedt tot de langs de rechter zijmuur gesitueerde kleine balkons. Deze hebben een betonnen borstwering met stalen zijhekjes. De borstweringen zijn identiek afgewerkt als de vensterplinten. Een breed dakoverstek met ruitvormige, geel geschilderde siermotieven vormt de gevelbeëindiging.
Interieur
Het interieur van het object is niet bekeken en niet bij de beoordeling betrokken. Mogelijk is er nog sprake van een monumentwaardige indeling en/of interieurelementen.
Cultuurhistorische context
Op verschillende plekken in de negentiende-eeuwse schil van Amsterdam staan panden uit de periode van omstreeks 1950. Deze zijn niet zozeer het gevolg van oorlogshandelingen en de daarop volgende wederopbouw. Zij zijn het gevolg van de plunderingen van woningen van joodse Amsterdammers nadat deze waren weggevoerd. Hun woningen en winkels vielen ten prooi aan rigoureuze plundering waarbij bruikbare bouwmaterialen uit de panden werden gesloopt die daarna vaak tegen woekerprijzen werden verkocht. Maatregelen om het plunderen tegen te gaan, bijvoorbeeld door het dichtmetselen van de onderste verdiepingen, hadden geen resultaat. Van veel huizen bleef slechts een instabiel karkas over met gevaar voor instorting. Van Blasiusstraat 124 is bekend dat dit pand werd bewoond door joodse Amsterdammers. De familie Zegerius dreef er op de begane grond een kleermakerij en op de bovenverdiepingen woonden joodse gezinnen. Allen werden in de oorlog weggevoerd en omgebracht in Auschwitz. Het is plausibel dat de voormalige winkel met bovenwoningen het ten prooi viel aan één van eerdergenoemde plunderingen en dat het pand zodanig was aangetast dat het na de oorlog moest worden vervangen door de huidige nieuwbouw. De nieuwbouw is karakteristiek voor de zogeheten wederopbouwarchitectuur. In de opzet met een in het zicht liggende betonstructuur en een door een strak lijnenspel gekenmerkte gevel is het pand karakteristiek voor de functionalistische richting in de naoorlogse bouwkunst. Karakteristiek zijn enkele sierdetails - zoals de sierelementen langs het etalagevenster, de ruitmotieven in de dakoverstek en het golvende reliëf van de betonnen vensterplinten en balkonbalustrades - waardoor in dit geval kan worden gesproken van het zogenoemde poëtische functionalisme. In de opzet is bovendien aangesloten bij moderne ideeën omtrent huisvesting, want de woningen zijn al meteen bij de bouw voorzien van ligbaden. Aan de achterzijde kwam een binnentuin met noodzakelijke voorzieningen als bergingen en waslijnsecties alsook een terras. Van de Roermondse architect Bob Booms zijn overigens weinig gegevens bekend. Wel is bekend dat hij rond 1955 op de Nieuwe Prinsengracht 17 , waar het portugees-israelitisch meisjesweeshuis was gevestigd, een enigszins vergelijkbaar woonhuis voor zijn familielid M.H.L. Booms bouwde.
Conclusie
Het pand met een winkelruimte en bovenwoningen is van stedenbouwkundige waarde vanwege de opvallende verschijning die het binnen de doorlopende gevelwand van dit deel van de Blasiusstraat vormt. Het bouwwerk is van architectuurhistorische waarde vanwege de zorgvuldige uitwerking van het evenwichtig vormgegeven ontwerp, met een asymmetrische gevelindeling en enkele markante details. Opvallend zijn vooral de decoratieve elementen langs de onderdorpels van het etalagevenster, de van een licht golvend reliëf voorziene vensterplinten, uitkragende betonbalkons en een decoratieve dakoverstek. Het pand is van cultuurhistorische en typologische waarde omdat het op een goed herkenbare manier de ideeën omtrent woon- en winkelarchitectuur in de jaren vijftig weerspiegelt. De typologische betekenis komt verder tot uiting in de opzet met een gemeenschappelijke binnentuin met waslijnsecties en bergingen, een zandbank, terras, boom en ligusterhaagje. Als één van de weinige voorbeelden van een kleinschalig wederopbouwproject uit de jaren vijftig in de negentiende-eeuwse schil is dit pand enigszins zeldzaam. Architect Booms bouwde een vergelijkbaar woonhuis op de Nieuwe Prinsengracht 17 (1955). Het pand is zowel in de detaillering als in de hoofdvorm gaaf behouden gebleven. Het is plausibel dat de bouw van het pand is terug te voeren op de plunderingen en ontwikkelingen in de Tweede Wereldoorlog, waardoor het object ook een illustratie vormt van de roerige hoofdstedelijke historie in deze periode.
Bronnen en literatuur
Archief Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam
Bakker, M.M. en F.M. van der Poll, Architectuur en stedebouw in Amsterdam 1850-1940, Zwolle/Zeist 1992
Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland (www.joodsmonument.nl)
Gemeentearchief Amsterdam, beeldbank
Haaren, M. van, e.a. (red), Atlas van de 19de-eeuwse ring, Amsterdam 2004
Rikkert, A.J.A., ‘Stad zonder steenkool. Wonden in het Amsterdamsche stadsbeeld’, in: Bouw. Centraal weekblad voor het bouwwezen 1, (1946), 9 maart, p. 249-252