Stedelijkbouwkundige context
In 1857 besluit de gemeenteraad tot verkaveling van de Overbrakerpolder. De Spaarndammerbuurt krijgt haar hoofdvorm na het doortrekken van de spoorlijnen naar Haarlem en Zaandam, het graven van het Westerkanaal (1874-1875) en de opening van de Houthaven (1876). Het plan-Kalff (1877) voorziet voor ‘Blok I’ in woningbouw en industrie. In het oostelijk deel zijn rond de Van Noordtgracht en Lemairegracht de Westersuikerraffinaderij (1882) en pakhuizen te vinden, aan de Houtmankade pakhuizen voor de opslag van hout. De latere Spaarndammerstraat wordt aangelegd op de ter plaatse breder gemaakte en verlaagde Spaarndammerdijk.
Na 1880 verrijzen in opdracht van particuliere beleggers de eerste arbeiderswoningen ten westen van de Spaarndammerstraat (in het gedeelte tot de Wormerveerstraat). Op de kaart van H.J. Scheltema (getekend in de periode 1896-1899) is goed te zien hoe de oorspronkelijke veenweidestructuur zeer gestaag plaats maakt voor de woningblokken. Karakteristiek voor de parallel aan de Spaarndammerstraat lopende straten is dat zij ‘doodlopen’ tegen het talud van de spoorbaan, waarbij op de ‘raakpunten’ driehoekige bouwblokken ontstaan door het verschil in richting.
Op de tweede ‘taartpunt’ - vanaf de stad gerekend - verrees het ‘Volksbadhuis aan de Zaan- en Polanenstraat’, in 1914 ontworpen door de Dienst der Publieke Werken en naar hun ontwerp uit 1918 uitgebreid met een ‘kinderbadinrichting’. Dit badhuis stond op de kop van het bouwblok begrensd door de Eerste Spaardammerdwarsstraat, Zaanstraat, Polanenstraat en Tweede Spaardammerdwarsstraat. Het gebouw stond ‘koud’ tegen de eind-negentiende-eeuwse huizen en grensde direct aan de stoep. In de tweede helft van de jaren zeventig wijzigde de stedenbouwkundige situatie rond het badhuis ingrijpend. In het kader van de stadsvernieuwing werden alle huizen uit het ‘badhuisblok’ gesloopt waarna langs de Zaanstraat en de Adrichemstraat - oorspronkelijk Tweede Spaardammerdwarsstraat - nieuwbouw verrees bestaande uit drielaags woningen onder plat dak (1978, architect Schippers). Het huizenblok tegenover het badhuis in Polanenstraat maakte plaats voor een verzorgingshuis en bejaardenwoningen (De Bogt/Westerbeer, 1976-1980, architecten Girod en Groeneveld). Hiervoor is het oorspronkelijke stratenpatroon gewijzigd: de Houtrijkstraat is ingekort, de Assendelftstraat kreeg een ander verloop en het eerste stuk van de Polanenstraat - tussen Zaandijkstraat en Adrichemstraat - werd een voetgangersgebied. Ten noorden van het badhuis werd een speeltuintje aangelegd. Van het badhuis werden zowel de hoge schoorsteen (na 1984) als de voormalige kinderbadzaal gesloopt. Langs de zijgevel aan de Polanenstraat zijn plantsoentjes aangelegd, evenals op de kop aan de Zaandijkstraat waarvoor ook twee hoge bomen staan. Door deze wijzigingen verzwakt weliswaar het idee van een vrij gesloten straatwand, maar het badhuis werkt nog steeds als krachtig hoekaccent.
Typologie
Badhuis bestaand uit een Volksbadhuis (Zaanstraat 88, Polanenstraat 1), in 1914 ontworpen door de afdeling Publieke Werken, en de uitbreiding daarvan met een kinderbadinrichting, door dezelfde dienst in 1918 getekend (Polanenstraat 3). Het voormalig gemeentelijk badhuis is thans in gebruik als oosters badhuis (Hammam).
Het uit oranjerode bakstenen opgetrokken complex bestond oorspronkelijk uit vier nog steeds herkenbare onderdelen. De vlakke voorgevel (Z) aan de Eerste Spaardammerdwarsstraat - tegenwoordig Zaandijkstraat - maakt een stompe hoek met de beide zijstraten. Dit deel telt drie bouwlagen en een kapverdieping. De nok loopt evenwijdig aan de Zaandijkstraat. De twee uitgemetselde schoorstenen aan de zijgevel van dit hoofdblok markeren het gerende verloop van de zijstraten. Achter de twee vensters brede gevel school op de begane grond een wachtkamer voor vrouwen (links, W) en de kassa (rechts, O). De eerste verdieping bevatte de wachtkamer voor mannen (W) en een gang langs de wc’s (O). De tweede verdieping was bestemd tot woning voor de badmeester, waartoe ook een in de kap afgetimmerd zolderkamertje hoorde.
De beide zijvleugels tellen twee verdiepingen. In de Zaanstraat was de vrouweningang. De venstergroepjes links daarvan belichtten achtereenvolgens - van zuid naar noord - vertrekken die op de plattegrond worden aangeduid als ‘fietsen vrouwen’, wc’s, brandstoffen en een portaal (naar de verwarmingskelder). Achter de tien vensters op de verdieping scholen de douchekamers voor mannen. De zijvleugel aan de Polanenstraat bevatte de ingang voor mannen. Achter de oorspronkelijke venstergroepjes van twee drielichten waren een vertrek voor de ‘fietsen mannen’ en een bergruimte te vinden. Ook hier waren ter hoogte van de verdiepingvensters de douchekamers voor mannen te vinden. De door de twee vleugels ingesloten ruimte op de begane grond werd ingenomen door het trappenhuis dat grensde aan de mannenafdeling en de - uiteraard daarvan afgesloten - doucheruimten voor vrouwen.
Het vierde gedeelte van het in 1916 in gebruik genomen badhuis was de lage verwarmingsruimte in de Zaanstraat met een bijna negentien meter hoge - inmiddels gesloopte - schoorsteen op het binnenterrein daarachter.
In 1919 werd het badhuis uitgebreid met een kinderbadinrichting aan de Polanenstraat. Daarbij werd ook de lage vleugel gewijzigd. Aan de begane grond werden twee ingangen toegevoegd en de vensters werden gewijzigd, deze indeling is de nu nog bestaande. De twee vertrekken in dit gedeelte kwamen in gebruik als fietsenbergplaats (links, Z) en administratieruimte (rechts, N). De meest rechtse ingang (N) gaf toegang tot het nieuwe gedeelte bestaande uit een lage aanbouw waarin twee wachtkamers waren ondergebracht en de daaraan grenzende - inmiddels gesloopte - badzaal met karakteristiek hoge, gebroken dwarskap.
Architectonische verschijningsvorm
Het badhuis heeft vlakke baksteengevels met enkele licht verspringende delen. Rondom loopt onderlangs een plint van donkerkleurige, ruwe baksteen. Karakteristiek zijn de vensters van verschillend formaat, het afwisselende metselwerk en sierende details als hardstenen ingangspartijen, granietbetonnen blokjes en smeedwerk. Vergelijking van de oorspronkelijke tekeningen, foto’s (onder andere in het Gemeentearchief) en de huidige situatie leert dat in de loop der tijd veel verloren is gegaan van de architectonische verfijning. Met name de deuren, ramen en kozijnen zijn merendeels vernieuwd.
Gevel Zaandijkstraat
De onderste twee verdiepingen tellen elk twee vensters. Oorspronkelijk was het onderste raam vast en het bovendeel vallend. Later kregen de vensters van de begane grond een draairaam. De bovenste verdieping heeft twee venstergroepen samengesteld uit twee smalle vensters ter weerszijden van een breed middendeel. Hier werden vaste ramen en schuiframen gebruikt. Recent zijn deze ramen geheel vernieuwd, voorzien van dubbel glas en een blauw gekleurd draairaam in het midden.
Tussen de twee vensters van de tweede verdieping is in sierlijk Amsterdamse School-smeedwerk te lezen ‘Gemeentebadhuis 1916’. Boven het linker venster (W) van de tweede verdieping en aan weerszijden van het middenvenster op de verdieping daarboven zijn nog stukjes metaal aanwezig van de vlaggenstokhouder. Boven het rechter venster (O) van de derde verdieping bevindt zich nog steeds de eenvoudige hijshaak.
De beide hoeken van de gevel zijn wat hoger opgemetseld dan het tussenliggende deel waardoor het idee ontstaat van, overigens vrij lage, torentjes. Dit verticale accent wordt versterkt door de hemelwaterafvoeren die vanaf straatniveau tot vlak onder de top doorlopen. In het met zwarte pannen gedekte schilddak is een brede dakkapel aangebracht. De daknok wordt bekroond door een met lood beklede sierrand.
Zijgevel Zaanstraat
De begane grond telt twee, de eerste verdieping drie vensters van oorspronkelijk hetzelfde type als die aan de Zaandijkstraat. Inmiddels heeft het rechter venster (Z) van de begane grond een draairaam beneden. Het linker venster (N) van de derde verdieping, geplaatst in en een inspringend gevelvlak, bevatte oorspronkelijk een stolpraam. Dit is vernieuwd en voorzien van een blauw raam.
Opmerkelijk is de wijze waarop het gerende verloop van de straat tot uitdrukking wordt gebracht en wordt gebruikt om een levendig hoekaccent te bereiken. Het linker geveldeel (N) volgt op de derde verdieping het verloop van de Zaanstraat, het meest rechtse deel (Z) maakt een rechte hoek met de voorgevel. Het verbindingspunt wordt gevormd door de hoog opgemetselde schoorsteen, die in het bovenste deel afgeschuinde hoeken heeft en sierblokjes in de top. Het bovenste geveldeel is links hiervan (N) voorzien van baksteen siervelden en een soort gemetselde steunen met ingezwenkte bovenkant.
Gevel Zaanstraat
De rechter ingang (N) heeft een hardstenen omlijsting. Het sierwerk boven de deur doet enigszins denken aan een sobere variant van een hoofdgestel met architraaf (inclusief ‘tandlijst’), fries (met de tekst ‘Volksbadhuis ingang vrouwen’) en kroonlijst met fronton. Hierboven geeft een grote lichtreclame de huidige functie aan. De huidige hardblauwe deur doet alleen in het paneelwerk nog enigszins denken aan het oorspronkelijke ontwerp dat was voorzien van ruitjes en siersmeedwerk. De zijlichten zijn thans dicht gezet.
De tien verdiepingsvensters zijn in een iets terug liggend geveldeel geplaatst en worden aan boven- en onderzijde ingesloten door een doorlopende, uitgemetselde bakstenen rand. Oorspronkelijk waren dit valraampjes met een ‘jujubes’-roedenverdeling (staande ruit) , maar die maakten al lang geleden plaats voor raampjes met middendorpel. Onlangs zijn alle kozijnen en ramen vernieuwd (dubbel glas), waarbij het meest rechtse raam ook een diepblauwe kleur kreeg.
De rechte gevel wordt afgedekt door een rand van siertegels.
Het laagste, meest linkse (N) geveldeel heeft nog twee vensters in de jujubes-vorm. Daartussen een bakstenen, getoogde nis waarboven een liggend venster dat oorspronkelijk gevuld was met drie raampjes met jujubes-roedenverdeling. Ook hier is het bovenste geveldeel afgedekt met een sierrand van tegels.
Zijgevel Polanenstraat
De ingang naar de bovenwoning - rechts (N) - is opgenomen in een iets terug liggend geveldeel waarvan ook de verdiepingvensters die het trappenhuis verlichten deel uitmaken. De nieuwe hardblauwe deur is verder niet gedetailleerd; de vensters hadden oorspronkelijk een zesruits, respectievelijk een vierruits raam. Ook hier is, op identieke wijze als aan de Zaanstraat, het gerende verloop van de straat gebruikt om twee gevelvlakken met verschillende hoek op elkaar te laten aansluiten.
Gevel Polanenstraat
Dit deel lijkt in vormgeving sterk op de gevel aan de Zaanstraat. Links (Z) de ingang naar het mannenbadhuis, die identiek is aan die voor de vrouwen maar met een aangepaste inscriptie (‘Volksbadhuis ingang mannen’). Ook hier een vergelijkbare, van paneelwerk voorziene moderne hardblauwe deur. De middeningang, binnen een uitgemetselde sieromlijsting, is dicht gezet met een blauwe plaat. De rechter ingang (N) is identiek van vormgeving, maar hier is een hardblauwe, vlakke paneeldeur aanwezig. Boven deze ingang staat in sierlijke smeedijzeren letters ‘Kinderbadhuis’ te lezen.
Het lagere deel rechts daarvan (N) - dat oorspronkelijk de wachtkamers bevatte - was tot voor kort overwoekerd met klimop. Inmiddels is weer te zien dat onder de drie vensters een uitgemetselde bakstenen sierrand loopt en dat de gevelrand van staande bakstenen wordt ondersteund door vier siermetselconsoles. De na de sloop van de kinderbadzaal in het zicht gekomen zijgevel (N) heeft tegenwoordig een houten afwerklaag (gerabat).
Interieur
Het interieur is niet bekeken en niet bij de beoordeling betrokken. Mogelijk is er nog sprake van een monumentwaardige indeling en/of interieurelementen.
Cultuurhistorische context
In de tweede helft van de negentiende eeuw groeit het besef dat iets gedaan moet worden aan de erbarmelijke leefomstandigheden van het merendeel van de bevolking. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de woningen zelf maar ook naar allerlei onhygiënische toestanden, die het gevaar van verspreiding van besmettelijke ziekten met zich mee brengen. ‘Reinheid’ komt hoog in het vaandel te staan. Badhuizen zijn sinds het laatst van de achttiende eeuw bekend in Amsterdam, maar waren voor de meeste mensen niet te betalen. Aan het einde van de negentiende eeuw gaat de gemeente zich bezig houden met dit onderwerp. Na enkele proeven wordt in 1899 besloten om een Centraal Schoolkinderbad te bouwen (in 1901 wordt de eerste voltooid aan de Frederik Hendrikstraat).
In 1911 wordt het eerste gemeentelijke badhuis geopend aan de Funenkade; dit huisvest thans Brouwerij ‘t IJ. Het tweede badhuis verrijst aan de Zaanstraat. De Spaarndammerbuurt was toen nog lang niet volbouwd: een snelle blik op de Welstandskaart Gordel 20-40 leert dat de woningen tussen de Spaarndammerdijk (N) en - globaal genomen - de zuidzijde van het Spaarndammerplantsoen merendeels tot stand kwamen in de jaren ná 1915. Daarmee past deze relatief vroege stichting goed in het beeld dat in de literatuur regelmatig wordt opgeroepen van een beschavingsoffensief: het bijbrengen van het belang van hygiëne. In de al bestaande woningen in de buurt ontbrak vrijwel altijd een douche- of badruimte. Aangezien de Woningwet dit ook niet verplicht stelde, bleef ook in de woningbouwcomplexen het teiltje of de tobbe nog lang de meest gebruikelijke reinigingsmethode. Pas in de Bouwverordening van 1935 wordt de bepaling opgenomen dat iedere nieuwe woning een bad- of doucheruimte moet hebben. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog beschikte niet meer dan ongeveer dertig procent van de Amsterdamse woningen over een badvoorziening. In de jaren vijftig bloeide het badhuisbezoek als nimmer daarvoor en daarna. De Zaanstraat registreerde toen 3600 bezoekers en 1600 schoolkinderen per week. Aan het eind van de jaren zeventig was dat teruggelopen tot 170. Sloop en nieuwbouw bezorgden veel voormalige bezoekers hun eigen badhuis thuis. Het Volksbadhuis aan de Zaanstraat ontkwam niet aan sluiting. In 1989 kreeg het complex een passende bestemming in de vorm van een oosters badhuis, de Hammam.
Architectuurhistorisch gezien is het badhuis niet alleen typologisch interessant, maar ook van belang als vroeg voorbeeld van de ontvankelijkheid van de Dienst der Publieke Werken voor de architectuurtaal van de Amsterdamse School. Deze stroming beleefde haar bloeitijd in de periode 1910-1930. De Dienst ontwierp onder andere openbare gebouwen, scholen, bruggen en straatmeubilair en had daarmee grote invloed op het stadsbeeld. In architectuuroverzichten wordt het werk van de Dienst meestal pas omstreeks 1920 als Amsterdamse School geduid. Hoe vlak de gevels van het badhuis ook mogen zijn, en er sprake is van een opbouw uit duidelijk onderscheiden bouwmassa’s, in veel sierende details - roedenverdeling, siersmeedwerk, glas in lood en ingangen - is de invloed van de nieuwe stroming al merkbaar.
Conclusie / redengevende omschrijving
Het Volksbadhuis met kinderbadinrichting aan de Zaanstraat/Polanenstraat markeert een belangrijke fase in de geschiedenis van de gezondheidszorg en de volkshuisvesting. Het kwam tot stand in een tijd dat in Amsterdam de eerste grote woningbouwcomplexen verrezen die financieel mede mogelijk waren gemaakt door de Woningwet. In de Spaarndammerbuurt zijn dit bijvoorbeeld de spraakmakende ontwerpen van Michel de Klerk aan het Spaarndammerplantsoen en de Zaanstraat-Hemburgstraat, het Zaanhof (H.J.M. Walenkamp, Tj. Kuipers en A. Ingwersen) en het Zaandammerplein en omgeving (K.P.C. de Bazel). De stichting van het badhuis is te zien tegen de achtergrond van de overheidszorg voor goede, hygiënische leefomstandigheden; zijn opheffing is het gevolg van die aandacht en de daaruit voortkomende verbeteringen in de volkshuisvesting en de gezondheidszorg.
Het complex weerspiegelt de ontwerpkwaliteit van de Dienst Publieke Werken en is een vroeg voorbeeld van haar ontvankelijkheid voor de Amsterdamse School. Het is evengoed jammer dat veel van de oorspronkelijke verfijning en detaillering inmiddels verloren is gegaan, maar dat kan bij een toekomstige restauratie relatief eenvoudig weer terug worden gebracht.
Bronnen en literatuur
Gemeentearchief Amsterdam, Centraal Tekeningen Archief, object 15.30.3.
Monumenten Inventarisatie Project Amsterdam. Stadsdeelbeschrijving Oud-West nr.4, Amsterdam 1989.
Welstandskaart Gordel 20-40: Gijs Bolhuis, Hélène Hartman, Erik Mattie, Renate Meijer, Marinus Oostenbrink, Marina Roosebeek, Jeroen Schilt en Vladimir Stissi, De Atlas Gordel 20-40, Amsterdam 2000.
BWT archief Stadsdeel West, dossier 32785 (geraadpleegd juli 2015)
Jos van den Bongaardt, Elke week een goed bad! Geschiedenis en architectuur van de badhuizen van Amsterdam, Amsterdam 1990.
Jan Derwig en Erik Mattie, Amsterdamse School, Amsterdam 1991.