Redengevende omschrijving (publiek)Stedenbouwkundige context
Het bouwwerk staat in de lange en historische gevelwand langs de Nieuwe Vaart die de Oostelijke Eilanden aan de zuidzijde afsluit. Van een echt bouwblok is nooit sprake geweest. Achter de gevelwand lagen de lijnbanen van de VOC en de Admiraliteit, waarvan de hoofdgebouwen nog bestaan, Oostenburgergracht nrs 75-81. Ter weerszijden van deze lijnbanen spoelde het water van de Oostenburgervaart en de Marine Houthaven. Op een luchtfoto is te zien dat het gebied achter de gevelwand, vanaf de Oostenburger Achterstraat (Compagniestraat) tot de Conradstraat begin jaren vijftig van de twintigste eeuw geheel was volgebouwd met fabrieksgebouwen van de N.V. Werkspoor. Vrijwel al deze gebouwen zijn afgebroken om in het kader van de stadsvernieuwing gedurende de tweede helft van de jaren tachtig plaats te maken voor sociale woningbouw. Daarbij is de gevelwand langs de Oostenburgergracht waarschijnlijk gespaard gebleven omdat de gebouwen van de VOC en de Admiraliteit van rijkswege beschermd waren, het oude hoofdkantoor van de Nederlandse Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmateriaal, Oostenburgergracht 73, is zodoende ook blijven staan.
Gebouwtype en bouwgeschiedenis in hoofdlijnen
Het gebouwtje staat ingeklemd tussen nummer 73, het hoofdkantoor van de Nederlandse Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmateriaal, de voorganger van de N.V. Werkspoor, en nummer 75, het oude VOC gebouw, en het is niet afzonderlijk genummerd. Het is ontworpen als nieuwe ingang van het Werkspoorcomplex. Bij die gelegenheid werd het VOC gebouw gerestaureerd door vader en zoon Kok. Het ging dienen als ontspanningsgebouw voor Werkspoor, waarin Duintjer en Langhout een toneelzaal hebben ingericht, met een foyer op de verdieping van het nieuwe ingangsgebouw. Het hoofdgebouw van de lijnbaan van de Admiraliteit was al in 1949 gerestaureerd door A.A. Kok ten behoeve van het Werkspoor Museum. Voor al deze cultureel verantwoorde bouwactiviteiten kreeg de opdrachtgever de Architectuurprijs 1958, verleend door de gemeente Amsterdam.
De jury was van mening, zo rapporteerde de Werkspoorcourant, dat oud- en nieuwbouw hier geen abrupte tegenstellingen bieden, maar harmonisch met elkaar in verband zijn gebracht. Er is sprake van een werkelijke regeneratie van de bestaande oude gebouwen, die met de hedendaagse toevoegingen tot een gaaf geheel zijn gegroeid, dat voorbeeldig is, zowel ten aanzien van de architectonische vormgeving als ten aanzien van het gebruik. Architect prof. Duintjer, benevens de kunstenaars Gerard Hordijk (wandschilderingen) en W.L. Reijers (plastiek aan de nieuwe pui) werden door deze prijs hogelijk geëerd.
Architectonische verschijningsvorm
Het entreegebouw is in vergelijking met de belendingen tamelijk smal en telt twee bouwlagen met gevels die grotendeels verglaasd zijn. De gevel van de begane grond is opgebouwd uit vier kolommen die zo geplaatst zijn dat er een brede en twee smallere traveeën worden gevormd. In de brede travee op de middenas geven drie deuren toegang tot het gebouw. De puien waarmee de gevel tussen de kolommen is dichtgezet zijn van staal, alleen de lage borstwering is gesloten, boven deze borstwering zijn verticaal smalle stroken glas geplaatst. De sponningen rond deze glasstroken vormen een tamelijk dicht raster, waardoor de begane grond ondanks het vele glas toch een tamelijk besloten karakter heeft. Ook de gesloten panelen in de borstwering dragen bij aan deze scheiding tussen binnen en buiten. De gevel op de verdieping bestaat alleen uit een groot kozijn van beton waarin een stalen pui is geplaatst met een geheel andere maatvoering voor de sponningen rond het glas. Deze sponningen vormen een raster dat juist wordt gekenmerkt door een grote mate van openheid. Een opmerkelijk gegeven vormt het traliewerk van de borstwering op de verdieping die voor de verglaasde pui is geplaatst. Om veiligheidsredenen lijkt dit element in de gevel geen strikte noodzaak, een mogelijkheid tot buitentreden is er namelijk niet en de glasvlakken in de stalen sponningen zijn te klein voor een denkbaar doorval risico. De verwarmingsradiator aan de binnenzijde van het glas biedt voldoende bescherming aan kleine kinderen. Waarschijnlijk dient deze borstwering voornamelijk een esthetisch doel. Het ontwerp heeft een sterk grafisch karakter, de twee verschillende rasters van de raamsponningen in het grijsgroen geschilderde betonnen kader vormen een lijnenspel waarin het traliewerk van de borstwering een extra accent legt op de horizontale lijn van de verdiepingvloer, de mede wordt geaccentueerd door het gegeven dat de puien in de gevels enkele decimeters achter de rooilijn zijn geplaatst. De kleur van het schilderwerk is origineel, mede dankzij de waakzaamheid van de erven Duintjer. Het plastiek op de dakrand van W.L. Reijers is nog steeds op zijn plaats. De achtergevel van het gebouw heeft een volkomen utilitair karakter en is niet ontworpen als element in de openbare ruimte.
Afgezien van het woest gekleurde schilderwerk verkeert het interieur in originele staat. Links en rechts van de toegangsdeuren zijn twee kleine portiersloges geplaatst, voor het overige vormt de begane grond een grote hal, met in het midden twee slanke paddestoelkolommen die de verdiepingvloer steunen. Op de vloer liggen dofglanzende bijna zwarte plavuizen. Achterin de hal voeren enkele treden naar een lager niveau dat ooit toegang gaf tot de achtergelegen fabrieken. Ter weerszijden van deze fabrieksingang voeren twee aangenaam luie trappen met hardstenen treden in een fraaie curve omhoog naar de foyer op de verdieping. Ook deze ruimte verkeert in originele staat, met de wandschildering van Gerard Hordijk die de gehele muur van het trapbordes vult. De toneelzaal van Duintjer is in het naastgelegen VOC gebouw gesitueerd en vormt dus onderdeel van een rijksmonument.
Cultuurhistorische context
De lange geschiedenis van de bedrijvigheid op Oostenburg is in het bovenstaande al genoemd. De N.V. Werkspoor was de laatste onderneming die een industrieel bedrijf heeft uitgeoefend op Oostenburg. Begin jaren vijftig was men zich de historische betekenis van deze oude traditie terdege bewust. Het bedrijf liet de twee oude gebouwen van de Admiraliteit en de VOC restaureren en gaf deze een culturele bestemming. Het entreegebouw van Duintjer vormt een onderdeel van dit project. Het voormalige kantoorgebouw van de Nederlandse Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmateriaal bood onderdak aan de bedrijfsschool van Werkspoor.
Conclusie
Het entreegebouw van Duintjer en Langhout vormt in feite een geheel met de door A.A. Kok en zijn zoon uitgevoerde restauraties van de lijnbaangebouwen van de VOC en de Admiraliteit. De historische betekenis van dit project wordt onderstreept door de Architectuurprijs 1958 die Werkspoor kreeg van de gemeente Amsterdam. Het ontwerp is tevens van belang voor de ontwikkeling van het Modernisme in Amsterdam, het is bovendien uitzonderlijk gaaf bewaard gebleven. Dat kan helaas niet gezegd worden van andere belangrijke ontwerpen van Duintjer. Het Andreas Ziekenhuis is afgebroken, en de Nederlandse Bank is onherstelbaar verbouwd. Plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst is derhalve passend en wenselijk. De toneelzaal van Duintjer en Langhout wordt al beschermd als onderdeel van het belendende VOC gebouw.
Gebruikte bronnen en literatuur
J.B. Kist ea (red), Van VOC tot Werkspoor. Het Amsterdamse industrieterrein Oostenburg, Utrecht 1986.
J.H. Kruizinga, Adieu Kattenburg. De geschiedenis van de Oostelijke Eilanden, Amsterdam 1966 (Gemeentelijke Commissie Heemkennis Amsterdam).
Mededeling van het Werkspoormuseum.