Stedenbouwkundige context
De Bethelkerk ligt in het gebied dat bebouwd is op basis van het uitbreidingsplan Sloten, dat tussen 1909 en 1916 voor de toen nog zelfstandige gemeente Sloten was ontworpen. Na de annexatie van 1921 werd de bouw door Amsterdam in een gewijzigde opzet gerealiseerd volgens de uitgangspunten van het ‘Plan West’, het zogeheten 6000-woningenplan, ingediend door de bouwondernemer H. van der Schaar voor het gebied van de Maatschappij ‘De Hoofdweg’ in 1922. Twee belangrijke verkeersaders doorsnijden het plan, de Hoofdweg in noord-zuidrichting en de Jan Evertsenstraat in oost-westrichting. In het plan zijn een aantal pleinen opgenomen: het plein vóór de Jan Maijenstraat direct ten noorden van de Jan Evertsenstraat, het Magalhaensplein ten oosten van de Hoofdweg, het stedenbouwkundig belangrijke Mercatorplein in het westen en het Columbusplein in het zuiden. Opvallend is dat twee kerkgebouwen, de Jeruzalemkerk aan de Jan Maijenstraat en de Bethelkerk aan de kop van een bouwblok tevens een belangrijke functie hebben als stedenbouwkundig markeringspunt.
De Bethelkerk vormt een stedenbouwkundig ankerpunt in een vrijliggend bouwblok met openbare functie tussen de Vasco da Gamastraat (oost), de Cabotstraat (noord) en de Willem Schoutenstraat (zuid). Het kerkgebouw staat met de rug naar het Magalhaensplein (west). De voorzijde van het kerkgebouw ligt aan de Vasco da Gamastraat, de bouwmassa met steile kap met dakruiter fungeert als stedenbouwkundig markeringspunt voor het gebied rond het Magalhaensplein.
Gebouwtype en bouwgeschiedenis in hoofdlijnen
De Bethelkerk verving een noodkerkje aan de Haarlemmerweg en is de gereformeerde tegenhanger van de hervormde Jeruzalemkerk aan de Jan Maijenstraat en de katholieke Chassékerk aan de Chasséstraat. In 1926 richtte de Gereformeerde kerk van Amsterdam West een verzoek aan het gemeentebestuur om een bouwterrein van 1690 m2 in voortdurende erfpacht te verkrijgen voor de bouw van een kerkgebouw, een wijkgebouw en vier woningen naar ontwerp van architect E.A.C. Roest. In 1928 werd de bouw aanbesteed, in 1929 was de bouw voltooid. In overleg tussen de dienst Publieke Werken en architect Roest werd de kerkbouw onderdeel van een groter complex, waarin een school en een politiebureau annex een vestiging van de GG en GD werden opgenomen. De school, aan de Willem Schoutenstraat6, is een ontwerp van architect H.J. van der Veen (1931-1933), Roest ontwierp het wijkgebouw aan de Cabotstraat 35-37 (1925-1926) en het politiebureau werd ontworpen door de dienst Publieke Werken (1927-1928). Tegenwoordig is het kerkgebouw in gebruik bij de volle evangelische gemeente Maranatha.
De plattegrond van het kerkgebouw is een langwerpige rechthoek, gedekt door een steil tentdak met een twaalf meter hoge daktoren. Buiten de rooilijn aan de Vasco da Gamastraat is een dwarsarm uitgebouwd, waarin de hoofdingang is geplaatst. Het zadeldak van deze dwarsarm heeft een lagere aanzet dan de hoofdkap. Beide kappen worden gedekt door rode romaanse pannen. In de hoek tussen hoofd- en dwarsarm zijn twee lage uitbouwen, waar de zij-ingangen van de hoofdingang zijn gelegen. De ruimten tussen de zijgevels en de rooilijnen aan de Willem Schoutenstraat en de Cabotstraat worden geflankeerd door twee lagere aanbouwen, respectievelijk voor het catechesatielokaal en de predikantskamer en de kamer voor de doopouders en het wijkgebouw.
Architectonische verschijningsvorm
Exterieur
Van de vormgeving van de kerk met het hoogoprijzende tentdak is gemakkelijk de distributie van de ruimtes binnen af te lezen. De gevels zijn van lichtrode baksteen op een plint van blauwpaarse steen. De voorgevel aan de Vasco da Gamastraat heeft drie smalle horizontaal afgesloten vensters; in de andere gevels van de rechthoek vormen telkens drie vierkante vensters een onderdeel van een hoog geplaatste lichtzone. In de dakvlakken van de kap aan de Willem Schouten straat en aan de Cabotstraat zijn vierkante vensters als dakkapellen opgenomen die door hun lage aanzet de dakgoot doorsnijden. De hoofdingang wordt geflankeerd door horizontale vensters en heeft een latei van staand gemetselde paarse baksteen. De lage aanbouwtjes hebben hoog geplaatste smalle ramen, de aanbouwen tegen de zijgevels hebben hoog geplaatste ladderramen op de hoeken.
Interieur
De inwendige ruimte is een langwerpige rechthoek waarvan de ruimte in de dwarsarm is benut voor de plaatsing van een publieksgalerij boven de hoofdingang en de orgelgalerij tegen de achtergevel tegenover de hoofdingang. Het gebouw was berekend op 920 zitplaatsen op de begane grond en 70 op de galerij op de kop. De ruimte wordt overspannen door een hoog opgaande open kap, waarin de kap van de dwarsarm insnijdt als een spitstongewelf. Op de hoeken wordt de ruimte gevormd door de wolfseinden van het tentdak. De kap rust op geprefabriceerde gelijmde spanten, die in de hoeken rusten op blokkeels en consoles. De spanten zijn vervaardigd door de Nederlandse Mij. voor houtconstructie, 'De Nemaho' te Doetinchem. De beschieting bestaat uit licht gebeitst hout, de spanten zijn donkerkleurig. In de zijgevels bevonden zich in de insnijdende dakvensters ramen met glas-in-loodvulling, daarvan is nog één raam aanwezig. Het thema van het raam, uitgevoerd in blauw, groen, rood, geel en grijs, is ontleend aan het bijbelboek van de Efeziërs, hoofdstuk 6, waar in de verzen 13-17 gesproken wordt over de wapenrusting Gods tegen de machthebbers der wereld, zoals het hier afgebeelde borstwapen der gerechtigheid, het schild des geloofs en de helm der zaligheid. Tot de oorspronkelijke inrichting behoort het twee klaviers pedaalorgel van de fa. Spiering te Dordrecht. Het oorspronkelijke meubilair met eikenhouten banken en ook het spreekgestoelte, dat beschreven is als bekleed met ‘dieprode moquette met zwarte band’, is niet meer aanwezig. De ingangspartijen hebben licht okerkleurige tegelvloeren tussen rode biezen, de oorspronkelijke vleugeldeuren in de gang hebben nog de oorspronkelijke verticaal geplaatste rechthoekige indeling van glaspanelen. Het is niet duidelijk of de destijds zeer geprezen, in overleg met Philips' gloeilampenfabriek ontworpen, indirecte verlichting nog aanwezig is.
Cultuurhistorische context
De Bethelkerk vertegenwoordigt in plattegrondtype en groepering van de bouwvolumes een traditioneel kerktype door de variatie op het Grieks kruis binnen een rechthoek. Dit kerktype was in de negentiende en vroeg twintigste eeuw gangbaar voor zowel de hervormde gelovigen als de gereformeerde. Bij de laatstgenoemde denominatie was er onder invloed van de artikelenserie van Abraham Kuyper, “Onze eredienst”, sprake van een sterke nadruk op het in gemeenschap ontmoeten van God. Zicht op de spreker was daarom belangrijk naast het feit dat de aanwezigen elkaar konden zien. Al is Kuypers' ideale kerk met halfronde vorm en oplopende vloer hier niet gerealiseerd, inwendig is binnen het traditionele schema een centraliserende ruimte ontstaan waar de aanwezigen, zonder door steunpunten gehinderd te worden, een vrije blik hadden op het spreekgestoelte. Uitwendig is het gebouw door het optrekken van hoge kappen een ankerpunt voor de omgeving geworden. De keuze voor de tentvorm lijkt haast symbolisch voor de functie die de kerk heeft als ruimte van samenkomst. De architectuur van rode baksteen muren en met rode dakpannen bedekte daken die deels decoratief gebruikt zijn, is verwant aan de ook in deze buurt veelvuldig toegepaste vormentaal van de Amsterdamse School. De centraliserende tendens binnen een kruisvorm-variatie heeft het gebouw gemeen met de in 1918 voltooide Parkkerk aan de Gerard Brandtstraat bij het Vondelpark, eveneens door architect Roest ontworpen. Deze, in het protestants-christelijke milieu opererende architect ontwierp in Amsterdam onder andere de Chr. HBS aan de Moreelsestraat (1910) en twee scholen aan de Sara Burgerhartstraat en aan de Speerstraat. Ook werden naar zijn ontwerp woningen gebouwd in het Plan Zuid van H.P. Berlage, onder andere aan de Stadionweg 159-181 (1929).Tenslotte is de Bethelkerk een voorbeeld van de stedenbouwkundige inpassing van gemeenschapsvoorzieningen door de dienst Publieke Werken in een nieuwe stadswijk in het interbellum.
Conclusie
Het gebouw heeft grote stedenbouwkundige waarde door de vrije ligging op een prominente plek aan het Magalhaensplein en in de zichtlijnen van de daarop uitkomende straten, waarbij vooral het gecombineerde daklandschap en de daktoren van belang zijn. Daarbij heeft het gebouw ensemblewaarde in combinatie met een school, een politiebureau annex post voor medische voorzieningen en een wijkgebouw met bovenwoningen. Het kerkgebouw heeft architectuurhistorische waarde vanwege de uitvoering van het zorgvuldig vormgegeven ontwerp dat verwant is aan de architectuur van de Amsterdamse School en overeenkomstig het werk van ondermeer Michel de Klerk in expressieve vorm uitdrukking geeft aan de functie van het gebouw. In de constructie is een vroeg voorbeeld van Nemaho-sspanten toegepast. Bovendien is het kerkgebouw representatief voor het oeuvre van E.A.C. Roest, een voor Amsterdam belangrijk architect. Het complex is de uitdrukking van een architectonisch en sociaal wenselijk nagestreefd geïntegreerd geheel, zoals wel meer gebruikelijk in stedelijke nieuwbouwwijken tijdens het interbellum. Cultuurhistorisch is de kerk van belang in de ontwikkeling van de protestants-christelijke, met name gereformeerde, kerkenbouw in de periode tussen de twee wereldoorlogen.
Literatuur:
Dicky Dijkstra, Edith den Hartigh, Rob Docter, Amsterdam Ring 20-40, Admiralen- en Postjesbuurt, (RDMZ/RPD), Zeist 1990
De Atlas gordel 20-40, Amsterdam 2000
“Een nieuwe kerk in Amsterdam-West”, De Standaard, 21.6.1929, GAA Persdocumentatie 67566-67566.