Stedenbouwkundige context
Het gebouw voor het Amsterdamsch Conservatorium, de gehoorzaal: De Bachzaal, de Muziekschool en de bijbehorende dienstwoning, staat aan de Bachstraat 3-7 in het stadsdeel Amsterdam Oud-Zuid. De Bachstraat, beginnende bij de Apollolaan en eindigende bij het Bachplein, is een korte straat met noord-zuid ligging. Het gebouw staat in de rooilijn en steekt ver het binnenterrein van het vijfhoekige bouwblok in. De school is gesitueerd aan de oostkant van de Bachstraat en staat schuin tegenover De Eerste Montessorischool aan de Corellistraat. De noordelijke straatwand van de Corellistraat, tegenover de Eerste Montessorischool maakt een knik en draagt bij aan de vorming van een vijfhoekige plein. Het conservatorium ligt daardoor fraai in het zicht.
De landschappelijke ligging van dit gebied was de Binnendijkse Buitenveldertse Polder van de gemeente Nieuwer Amstel. Na de annexatie in 1896 heeft H.P. Berlage de eerste stedenbouwkundige plannen gemaakt, waarbij zijn tweede plan, Plan Zuid van 1917, door de gemeente goedgekeurd werd en voor een groot gedeelte ten uitvoer werd gebracht. Het plan heeft een structuur van brede verkeerswegen, smallere zijstraten en vooral ook pleinen, wandelwegen en parken. Een brede waterweg op de grens van het oostelijke en westelijke deel vormt de ruggengraat van het plan met parallel daaraan de Apollolaan. Samenhang tussen openbare ruimte en architectuur was een van de voorwaarden bij de invulling van het plangebied. Dat impliceerde dat de stedenbouwkundige betekenis van dit voorname schoolgebouw van evident belang was. Volgens Berlage moesten pleinen: 'open pleinen zijn met openbare gebouwen want plein en gebouw zijn er om elkaar'. Mogelijk had de architect van het conservatorium Piet Vorkink, als commissielid van de Commissie-Zuid die de welstand over de uitvoering van Berlage's Plan Zuid bewaakte, gezien zijn invloedrijke positie, de eerste keuze voor de dominerende plaatsing van zijn conservatorium op het plein. Dit nieuw ontwikkelde stadsdeel bood ruimte aan de grote behoefte aan veel schoolgebouwen die naaar aanleiding van de schoolwet van 1920 ontstaan was.
Gebouwtype en bouwgeschiedenis in hoofdlijnen
Vorkink heeft in 1930 het Amsterdamsch Conservatorium ontworpen in opdracht van de gelijknamige vereniging. Het is een monumentaal gebouw waar de musici voor ondermeer het Concertgebouw opgeleid werden. Het schoolgebouw behoort tot het type corridorschool met lokalen aan één zijde van de gang. De carré-vormige plattegrond toont een voor- en een achtergebouw, twee brede verbindingsgangen en een binnenhof. Het gebruik van het gebouw is in de loop der jaren enigszins veranderd, maar de indeling van de ruimtes is vrijwel ongewijzigd. Oorspronkelijk huisde in het voorgebouw met de lokalen, het conservatorium op de begane grond en de eerste verdieping, terwijl de muziekschool op de tweede verdieping onder was gebracht. De voormalige dienstwoning is als een apart bouwvolume in het oostelijke deel van het voorgebouw opgenomen. Het achtergebouw met de gehoorzaal, De Bachzaal, behoort nog altijd toe aan het conservatorium. Tegenwoordig heeft de muziekschool het hele voorgebouw in gebruik en is de dienstwoning verbouwd tot hun administratieruimte.
Het lokalendeel van het voorgebouw met drie bouwlagen en daarbij nog een kelder- en een zolderverdieping is afgedekt met een zadeldak terwijl de dienstwoning gedeeltelijk een zadeldak en een plat dak heeft. De gehoorzaal heeft een schilddak en de verbindingsgangen zijn afgedekt met zadeldaken en platte daken.
De gang die de hoofdas van de school vormt heeft een noord-zuid ligging zodat de lokalen aan de achterzijde, op het oosten, zijn gelegen en zicht hebben op het binnenhof en de gehoorzaal.
Het voorgebouw
De voorgevel, op het westen gericht, heeft drie entrees. Geheel aan de noordkant bevindt zich de ingang van de dienstwoning, in het midden is de hoofdentree voor het lokalengedeelte en aan de zuidkant die van De Bachzaal.
De hoofdentree met vestibule heeft aan de zuidkant de schoollokalen en aan de noordkant de kamers van het personeel en toegang tot de dienstwoning. In het verlengde van de hoofdentree met vestibule bevinden zich het ruime hoofdtrappenhuis met bordestrap en een verbindingsdeel waarin een vestiaire met toiletblok en daarachter een ruime solistenkamer zijn ondergebracht.
Rechts van de hoofdingang, aan de zuidkant, zijn overwegend kleine leslokalen met verschillende afmetingen gelegen. Naast het hoofdtrappenhuis ligt een ruimte die oorspronkelijk bedoeld was als een wachtkamer, met daarnaast vier leslokalen en daartussenin het tweede trappenhuis. Vervolgens, achter de klapdeuren bevinden zich de vestibule van de ingang naar De Bachzaal met daarachter een bureauruimte en als afsluiting een ruim leslokaal.
De ruimte ten noorden van de hoofdentree heeft een middengang, met aan de voorzijde een portiersloge, een (spreek)kamer en een administratiekamer, terwijl er aan de achterzijde een grote directeurskamer is.
De noordelijke afsluiting van het gebouw wordt gevormd door de woningentree met gang en trap naar de eerste verdieping met de feitelijke dienstwoning.
De eerste verdieping van het lokalengedeelte heeft aan de zuidkant van de hoofdentree, aan de achterzijde, eerst een kamer (voor de docenten), dan de voormalige bibliotheek, drie klaslokalen, het tweede trappenhuis en als afsluiting van de gang een L-vormige berging met een uitbouw naar de voorzijde.
Links, naast het hoofdtrappenhuis ligt lokaal no. 6. Boven de hoofdingang is een groot toiletblok met daarnaast lokaal no. 7 en de dienstwoning, dat aanvankelijk aan de voorzijde twee kamers en aan de achterzijde de keuken en een trap bevatte.
De tweede verdieping, oorspronkelijk dus bestemd voor de muziekschool, heeft aan de achterkant acht leslokalen waarvan het eerste ruim is en het laatste zelfs een dubbel formaat heeft. Aan het einde van de gang is het tweede trappenhuis en ook een L-vormige ruimte voor berging.
Aan de noordkant van het hoofdtrappenhuis bevindt zich aan de voorzijde een toiletblok, een administratiekamer en aan de achterkant een spreekkamer. De directeur van de muziekschool had aanvankelijk hier een grote kamer die loopt van de voor- naar de achterkant met daarnaast op de bovenverdieping van de woning een slaapkamer aan de achterzijde en aan de voorzijde een fraai plat dak.
Het achtergebouw.
De Bachzaal is een gehoorzaal met balkon voor 500 bezoekers met een orgelruimte, solistenkamer, koffiekamer en garderobe. De speciale entree aan de zuidkant van het voorgebouw is bestemd voor het grote publiek. In de verbindingsgang bevinden zich de vestiaire met toiletblokken. De ruimte naast de gehoorzaal wordt gebruikt als kantine. Zowel bij de kantine als achter de gehoorzaal zijn wenteltrappen naar het balkon van deze Bachzaal.
In 1976 zijn het Amsterdamsch Conservatorium, het Conservatorium van de vereniging 'Muzieklyceum' en het Haarlems Muzieklyceum gefuseerd tot het Sweelinck Conservatorium. Zodoende is het gebouw aan de Bachstraat te klein geworden, en is de opleiding in 1985 verhuisd naar het pand van de voormalige Rijkspostspaarbank in de Van Baerlestraat. De muziekschool heeft, zoals hierboven bleek, het hele voorgebouw tot haar beschikking gekregen. De opzet van het gebouw is niet veel veranderd, behalve dat de dienstwoning in gebruik genomen is voor administratieve doeleinden. De zolderverdieping diende oorspronkelijk niet voor lesdoeleinden maar tegenwoordig is deze als zodanig in gebruik genomen. In de kap aan de achterzijde is een vensterpartij ingezet. De zolderverdieping is tegenwoordig ingericht als gehoorzaal voor de muziekschool en heeft ook aan de voorzijde kleine dakramen gekregen. Bij de gehoorzaal is aan de tuinzijde een uitbouw gemaakt om de kantine te vergroten.
Architectonische verschijningsvorm
Exterieur
Dit schoolgebouw voor het muziekonderwijs heeft een brede voorgevel met een zadeldak waarbij de entree geaccentueerd wordt door een dwarskap. Het is een gebouw met een sobere en vlakke gevel dat zich kenmerkt door doorlopende vensterreeksen. Die van de eerste verdieping zijn van formaat het grootste en het hoogste.
Het gebouw is opgemetseld in een okergele baksteen met een rood pannendak. De zwart-wit foto's in het Bouwkundig Weekblad van 1931 laten een lichte gevel zien met een donkerder dak terwijl het gebouw tegenwoordig, door vervuiling, een donkergrijze-gele gevel met een rood dak heeft. De gehoorzaal en de verbindingsdelen hebben donkergrijze dakpannen.
In de voorgevel is de splitsing tussen het lokalendeel aan de zuidzijde en de administratieruimte met het voormalige woongedeelte aan de noordzijde van de entree goed zichtbaar, waarbij de hoofdingangtravee als duidelijke verticale scheiding dient. Het lokalendeel neemt grofweg drievierde van de voorgevel in beslag en ligt naar achteren ten opzichte van de rooilijn. De bouwvolumes die wel in de rooilijn liggen zijn de hoofdingangtravee met dienstwoning aan de noordzijde en de travee met de L-vormige bergingen aan de zuidzijde. De hoofdingangtravee wordt met een insteekkap bekroond.
De gevel is horizontaal geleed. De vensterformaten hangen samen met de functies van de achterliggende ruimtes en verschillen mede daarom per verdieping. Bij zo'n belangrijk monumentaal en deftig gebouw is de vensterindeling ook van belang om dit karakter te onderstrepen. De vensters van de eerste verdieping zijn het grootst, warmee het belang van deze verdieping onderstreept wordt.
Begane grond. Terwijl de entree naar de Bachzaal onder een luifel ligt, om de -eerste- wachtende bezoekers te beschermen tegen het weer, is de hoofdingang verfraaid met aan weerskanten langwerpige ramen met siersmeedwerk. Boven deze verhoogde hoofdentree was oorspronkelijk in siersmeedwerk de naam: AMSTERDAMSCH CONSERVATORIUM aangebracht maar tegenwoordig staat er: MUZIEKSCHOOL AMSTERDAM. Boven de entree naar de gehoorzaal is later, met grote, ontsierende, witte blokletters 'Bachzaal' vermeld. De begane grond heeft een vensterstrook van dertig kleine vierkante gangramen met daarnaast de entree naar de gehoorzaal en vervolgens drie rechthoekige lokaalramen, tegenwoordig allemaal voorzien van anti-inbraak tralies.
De eerste verdieping is dus ontworpen als een piano nobile met voor de gang zeven hoge vensters met roedeverdelingen, elk venster is verdeeld in 28 ramen. De L-vormige berging aan de zuidzijde heeft zeven smalle zesruitsvensters in het ganggedeelte en met in de risalerende travee een openslaande deur, afgeschermd met een draaibaar hekwerk. Deze deur dient om zware muziekinstrumenten naar de eerste verdieping te takelen. Op de hoogste verdieping is een hijsinstallatie aanwezig.
De tweede verdieping (muziekschool) telt een vensterstrook van 27 middelgrote twaalfruits-vensters. De hoofdingangtravee, die afgedekt is met een dwarskap heeft op de eerste en de tweede verdieping drie smalle rechthoekige toiletramen. Het bouwvolume met administratie- en dienstwoning heeft een andere vensterindeling. De begane grond telt zeven rechthoekige vensters van de portiersloge, administratieruimte e.d. en aan de uiterste noordkant bevindt zich de halfronde deur van de dienstwoning. Daarboven zijn zes rechthoekige vensters, waarbij alleen het bovenraam door roeden in twaalf ruiten verdeeld is. Deze woningverdieping heeft een plat dak.
Het zadeldak loopt niet door over de hele tweede verdieping en ligt, zoals eerder beschreven, naar achteren waardoor een groot balkon aan de voorzijde is ontstaan dat bereikbaar is, zowel vanuit de woning als vanuit de directeurskamer van de tweede verdieping.
De achtergevel wordt gedomineerd door lokaalvensters. De lokaalvensters lijken in grootte en afstand in het eerste opzicht gelijk aan elkaar te zijn maar bij nadere beschouwing toch van elkaar te verschillen naar gelang de grootte van het lokaal of de kamer. Bij de lokaalvensters zijn alleen de bovenlichten door roeden verdeeld is in negen of twaalf ruiten. Het bouwvolume met het trappenhuis heeft aan deze achterzijde ook een topgevel met op de eerste verdieping drie kortere en op de tweede verdieping drie lange naast elkaar liggende ladderramen. De woning lijkt hier slechts een aanbouw met een plat dak en inspringend vanaf de eerste verdieping. De eerste en de tweede verdieping hebben drie gekoppelde roederamen. De gevel van de gehoorzaal bestaat uit een hoog gedeelte en heeft aan de westkant, de tuinkant, op de eerste verdieping vijf langwerpige vensters met roedeverdelingen.
Interieur
Het interieur is voor een grote deel in de oorspronkelijke staat gebleven. Het hoofd-trappenhuis heeft nog de allure dat in de jaren dertig paste bij het conservatorium. De combinatie van de hoge ladderramen met de brede dagkanten en de zwart-wit geblokte hardstenen vloer dragen hiertoe bij. Op foto's is te zien dat deze chique vloer ook aanwezig was in de gangen maar die zijn tegenwoordig, bij de komst van de muziekschool, bedekt met twee kleurig linoleum. In het voorgebouw, vooral bij de hoofdtrap en de hal, zijn de kostbare materialen zoals meerdere soorten natuursteen, fraai hout en glas-in-loodramen nog in het zicht. In de lokalen zijn de oorspronkelijke kastwanden aanwezig om de instrumenten in op te bergen. In 2001 is de muziekschool begonnen met een inwendige renovatie. De tweede verdieping was tijdens de inventarisatie nog in haar originele staat. Op de zolderverdieping waren de ook fraaie originele profieldeuren aanwezig. Alle oude deuren zijn -voorlopig- in de kelder opgeborgen.
Cultuurhistorische context
Dit schoolgebouw voor het Amsterdamsch Conservatorium is een belangrijk semi-openbaar gebouw waarvan er in Nederland maar weinig van gebouwd zijn. De opzet is ingenieus. De lokalen zijn aan de binnentuin georiënteerd om geen last te hebben van het verkeer. Daarbij hebben de architecten diverse geluidwerende maatregelen genomen om geen overlast voor de buurt te veroorzaken. De opzet van het gebouw is bijzonder. De lokalen zijn namelijk doorgaans kleiner van formaat omdat hier aan kleine groepen muziekstudenten en aan individuen les wordt gegeven. Ook is het aantal muziekvakken zeer omvangrijk.
Het Amsterdamsch Conservatorium is een Hogere Beroeps Opleiding (HBO) waarbij de leerlingen opgeleid worden om in belangrijke orkesten als dat van het Concertgebouw te spelen. De muziekschool is bestemd voor kinderen en jongeren vanaf vijf jaar.
In 1884 is het Amsterdamsch Conservatorium opgericht en het Conservatorium van de Vereniging 'Muzieklyceum' in 1920. De twee muziekopleidingen hebben in een aantal schoolgebouwen gehuisd voordat zij dit gebouw in Oud Zuid konden verwezenlijken. Voordien waren ze gevestigd in het Huis met de Hoofden op de Keizersgracht 123.
Wattjes en Warners, auteurs van Amsterdams Bouwkunst en Stadsschoon 1306-1942 (1944), meenden in de architectuur van het schoolgebouwen de invloed te zien van de Zweedse bouwkunst. Met Zweedse bouwkunst bedoelde Wattjes architectuur, die zich kenmerkt door een 'evenwichtig geheel, de juiste evenmaat tusschen monumentaal, constructieve details en ornamentale verfijning'.
Piet Vorkink (1878-1960) was in Amsterdam een bekende architect ien was een van de leden van de Commissie Zuid die de uitvoering van Plan Zuid begeleidde. Hij fungeerde als gerespecteerd lid en penningmeester van Architectura et Amicitia van 1917-1940 en redactielid van 1927-1931 van Wendingen. Van 1905 tot 1925 was hij geassocieerd met Jac. Ph. Wormser. Samen ontwierpen ze in 1907, voor de indertijd zelfstandige gemeente Watergraafsmeer, het uitbreidingsplan Betondorp, als onderdeel van een groot uitbreidingsplan voor 225.000 inwoners. In de laatste tien jaar van de samenwerking bouwden ze, naast het gebouw voor Gunters en Meuser (1918) op de Amsterdamse Prinsengracht, veel laagbouw-woningcomplexen voor de arbeiders en de middenstand in Velp, Velsen, Hilversum en Veenendaal maar ook landhuizen zoals het beroemde Reigersnest in Oostvoorne (1920) en in Santpoort (1923). Na deze samenwerking, is het belangrijkste gebouw dat hij alleen realiseerde, dit conservatorium, daarna het Volkslogement (1932) aan de Montelbaansstraat 6 in Amsterdam en de woonblokken van de woningbouwvereniging Labor in Landlust, Bos en Lommer (1937). Een vergelijking tussen het Volkslogement en het Conservatorium spreekt boekdelen. Daar, waar het Volkslogement bedoeld voor arbeiders, gekenmerkt wordt door een eenvoudige gevel zonder versieringen en met op elke verdieping dezelfde raamformaten, is het conservatorium vormgegeven als een cultureel en maatschappelijk belangrijk gebouw. Het werk van Vorkink laat een ontwikkeling zien van de expressionistische vormentaal van de.Amsterdamse School naar een architectuur die betsaat uit een composite van vlakken en sterk beïnvloed is door het werk van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright.
Literatuur:
J.Z. (Jan Zietsma), 'Conservatorium en muziekschool te Amsterdam', Bouwkundig Weekblad ( 1930), p. 105-110.
J.Z. (Jan Zietsma), 'Conservatorium en muziekschool te Amsterdam', Bouwkundig Weekblad (1931) p. 357.
Jan Zietsma, 'De geluiddempende constructies van het conservatorium en muziekschool te Amsterdam', Bouwkundig Weekblad (1931) p. 357-363
Redactie (J.G. Wattjes), 'Professor Lansdorp', Het Bouwbedrijf (1932), 29 januari, p. 34,35
Wattjes J.G. en F.A. Warners Amsterdams Bouwkunst en Stadsschoon 1306-1942. Amsterdam, 1944, p. 367
Rossem, V. van, M. Beek, e.a. Berlage en Amsterdam Zuid, Amsterdam/Rotterdam 1992
J. Schilt, J. van der Werf, Genootschap Architectura et Amicitia 1855-1990, Rotterdam 1992