Hoofdopzet
Het 364 woningen tellende complex bestaat uit een waaiervormige verkaveling van vier identieke L-vormige haken waarvan de los van elkaar staande woonblok-poten een hoek maken van ruim 100 graden. De lange poot wordt gevormd door een noord-zuid gericht portiek-etageblok van 10 percelen met wisselbeuk in vier lagen (20 drie- en 20 vierkamerwoningen) op een onderbouw met bergingen en garages. De korte poot wordt gevormd door een oost-west gericht bouwblok van zeven lagen op een onderbouw met bergingen en een winkeluitbouw aan de oostzijde. Dit bouwdeel is in wezen een combinatie van het portiek-etageblok in vier lagen, maar dan zes percelen breed (11 drie- en 12 vierkamerwoningen en één als maisonette uitgevoerde woon-/werkwoning met vijf kamers), met daar bovenop een ‘galerijflat’ van drie lagen (9 één- en 18 tweekamerwoningen). In de eenlaagse winkeluitbouw met magazijnruimte is ook de entreehal ondergebracht voor de lift die in een gemetselde schacht tegen de oostgevel toegang geeft tot de galerijen, met stopplaatsen op de vijfde en de zevende verdieping. De opening tussen de beide bouwblokken wordt op maaiveldniveau afgesloten door een verdiepinghoge gemetselde muur tussen de achtergevel van de winkeluitbouw en de kopgevel van het noord-zuid gerichte bouwblok. Door een deel van het platte dak van de uitbouw over de muur door te trekken naar de kopgevel van het noord-zuid gerichte bouwblok is aan weerszijden van de muur, waarin een deur en een strook bovenlichten zijn geplaatst, een abri-achtige ruimte ontstaan, waarschijnlijk ten behoeve van het droog kunnen wegzetten van vuilnisemmers en tuinafval.
Stedenbouwkundige situatie
De waaiervormige verkavelingseenheid ligt aan de zuidzijde van de ter plaatse iets gebogen lopende Jan Evertsenstraat tussen de ringspoorbaan en de Einsteinweg/A10. Hoewel in het AUP ook het aan de overzijde van de Jan Evertsenstraat gelegen kwadrant was aangewezen als woonwijk, kreeg dit terrein bij de definitieve herziening van het uitbreidingsplan Overtoomse Veld in de jaren vijftig een bijzondere bestemming mee ten behoeve van de bouw van een ziekenhuis, het latere St. Lucas. Daardoor stond tevens vast dat het door Rochdale te bouwen complex de afsluitende noordelijke (woon)bebouwingsrand van tuinstad Overtoomse Veld zou worden.
In de uitwerking van de verkavelingsopzet komt duidelijk tot uitdrukking dat men zich van deze in termen van ‘randen en velden’ belangrijke stedenbouwkundige opgave terdege bewust was. Er is immers een zorgvuldige samenhang verkregen tussen enerzijds een hoge, stedelijke randbebouwing aan de Jan Evertsenstraat - de gerende rij van vier karakteristieke, kort achter elkaar staande woongebouwen met sterk ritmerende winkelaanbouwen - en anderzijds een typisch tuinstedelijk milieu achter deze stedelijke wand, in de vorm van de vier uitwaaierende lagere woningbouwstroken die mede door de weldadige groene tussenruimten het karakter van de aangrenzende open stempelverkavelingen accentueren.
Gelet op de voorname stedenbouwkundige betekenis van de Jan Evertsenstraat, die als onderdeel van de radiaal Raadhuisstraat, Rozengracht en De Clercqstraat de noordoever van de Sloterplas rechtstreeks verbindt met de Dam en die voor de oorlog werd bebouwd met monumentale stedenbouwkundig-architectonische ensembles van achtereenvolgens J.M. van der Mey, J.F. Staal, H.P. Berlage, C.J. Blaauw en J.M. van Hardeveld, vormt het complex van H. Knijtijzer een waardig naoorlogs ensemble langs dit cultuurhistorisch rijke lint.
Typologie
De eerste ontwerpfase startte in 1955 en had betrekking op de vierlaagse bebouwingsstroken. Voor de rond deze tijd gangbare portiek-etagebouw met wisselbeuk op een onderbouw met bergingen, ontwierp Knijtijzer compacte drie- en vierkamerwoningen die wat afmetingen betreft overeenkomen met de door de overheid voorgeschreven gemiddelden: resp. ca. 60 en 70m2, met een verdiepinghoogte van ca. 2,70m. Door de ruimte in de wisselbeuk achter het trappenhuis per bordes aan een woning toe te bedelen en de blokken in tien gelijke percelen van 8,10m breed onder te verdelen, konden de blokken uitgerust worden met een gelijk aantal van in totaal 80 drie- en 80 vierkamerwoningen.
De plattegrond bestaat uit een tamelijk ruime entreehal met toiletruimte, die toegang geeft tot de keuken aan de oostgevel en een slaapkamer en de woonkamer aan de westgevel, die en suite verbonden is met een ouderslaapkamer aan de oostgevel. Tussen de aan het trappenhuis gelegen keuken en de ouderslaapkamer ligt een vanuit beide ruimten toegankelijke wascel. De woningen zijn voorzien van de nodige ingebouwde kastruimten en van twee balkons van 1,30x2,30m. In de onderbouw met een hoogte van ca. 2,20 bevinden zich naast de bergingen voor de woningen per perceel een garage.
Tijdens de detailleringsfase kwam in 1957 ook het ontwerp gereed voor de woongebouwen aan de Jan Evertsenstraat. Die werden voor wat de eerste vier verdiepingen betreft uitgerust met identieke portiek-etagewoningen in zes percelen rond drie trappenhuizen. De enige uitzondering is de maisonette op de begane grond aan de westgevel, bedoeld als woning met werkruimte aan huis. Voor het overige deel zijn in de onderbouw de bergingen opgenomen.
De woongebouwen zijn als het ware ‘opgetopt’ met drie lagen galerij-ontsloten kleine één- en tweekamerwoningen van ca. 37 en 47m2. De eenkamerwoning heeft een rechthoekige plattegrond met aan de noordzijde de direct aan de galerij grenzende entreehal, de keuken en een wascel met toilet en aan de zuidzijde de woonkamer met loggia. De tweekamerwoningen hebben een L-vormige plattegrond in twee typen, waarvan één een kleine variant kent. Beide typen hebben een woonkamer met loggia op het zuiden en om en om een slaapkamer aan de noord- of aan de zuidgevel. De keuken en wascel liggen aan de galerijzijde en de woningen worden inpandig ontsloten aan weerszijden van een gang die naar de galerij leidt. Op de breedtemaat van twee van de onderliggende portiek-etagepercelen liggen telkens drie van deze galerijwoningtypen naast elkaar. Het middelste trappenhuis van de ondergelegen portieketagebouw is als vluchtroute doorgetrokken tot de vijfde etage, waardoor een van de tweekamerwoningen iets kleiner moest worden, en de twee buitenste trappenhuizen zijn tot de zevende verdieping doorgetrokken.
De tegen de oostgevel geplaatste liftschacht ‘ontspringt’ in de eenlaagse U-vormige aanbouw waarin behalve de entreehal voor de lift en de bergingen voor de woningen van de zevende verdieping ook een ver uit de rooilijn van de woongebouwen stekende winkel met magazijnruimte is ondergebracht.
Het complex bestaat met andere woorden uit een ensemble van vier ‘klassieke’ portiek-etagebouwblokken van vier verdiepingen en vier meer eigenzinnige woongebouwen van zeven verdiepingen, die een bijzondere combinatie vormen van portiek-etage- en galerijbouw. Met 36 één-, 72 twee-, 124 drie- en 128 vierkamerwoningen is binnen één verkavelingseenheid sprake van een opmerkelijke differentiatie, waarbij de vier vijfkamer-maisonettes gezien kunnen worden als het voorvoelen van de huidige vraag naar woningen met werkruimte aan huis.
Architectonische uitwerking
De ‘basisvormgeving’ van het complex is helder, eenvoudig en goed doorwerkt, zowel in verhouding als detaillering, en vertoont daardoor een krachtige eenheid. Het fraaie gladde rode metselwerk, afgewisseld met de strakke betonlateien boven de ritmerende, trefzeker geplaatste en fijn gedetailleerde raampartijen, de iets naar buiten geplaatste betonnen entreeportalen met glaspuien en het raster van de 1,30m uitstekende balkons zijn daarvan de voornaamste bouwstenen. Bijzondere compositorische elementen zijn voorts de betonnen galerijen met de transparante hekwerkbekleding van grenenhouten latten en teakhouten liggers, de met een knipoog naar Berlage’s nabijgelegen Mercatorplein ontworpen liftschachten die als doorgemetselde ‘torens’ een integraal en gezichtsbepalend onderdeel van de woongebouwen vormen en de typische jaren vijftig vormgeving van de winkelgebouwtjes bestaande uit een ‘speelse’ massa-opbouw en vlakverdeling. Opvallend is voorts het functionele onderscheid dat is aangebracht in het hekwerk van de balkons: die van de woonkamers aan de zuid- en westgevels hebben een stalen spijlenhek en die van de keuken aan de noord- en oostgevels - de ‘werkbalkons’ - een lattenbekleding van grenenhout.
In de gevelopbouw van de hoge woongebouwen zijn een aantal uitgekiende variaties aangebracht die de verschillende woningtypen benadrukken, zoals loggia’s i.p.v. balkons voor de galerijwoningen in de zuidgevel; drie afwijkend geplaatste ramen op de begane grond van de maisonette; wel en geen ramen in het westelijke muurvlak van de noordgevel; in de oostelijke kopgevel zitten vanaf de vijfde verdieping ramen en in de westelijke juist tot de vijfde verdieping, bekroond door een betonluifel waarin een hijshaak is gemonteerd; en aan dezelfde westelijke kopgevel valt de curieuze, ‘plotseling’ uit de muur komende hemelwaterafvoer op ten behoeve van de afwatering van de bovenliggende loggia’s.
Architect
De Amsterdamse architect Herman Knijtijzer (1914-1994) behaalde in 1934 het einddiploma van de MTS-bouwkunde, waarna hij zich in het architectenvak bekwaamde bij achtereenvolgens het bureau van de gebroeders Baanders, G.H. Holt, J.P. Kloos en, met een onderbreking tijdens de bezetting, tien jaar lang bij de Amsterdamse antroposofische architect J.J. van der Linden. Tijdens de verbouwing van de Industrieschool voor meisjes aan de Weteringsschans (nu onderdeel van het Barlaeus-gymnasium), vestigde hij zich in 1946 als zelfstandig architect. Met enkele verbouwingsopdrachten haalde hij de tijdschriften (winkelpand Nieuwendijk; pakhuis Keizersgracht voor boekhandel Swets & Zaitlinger) en met de sloop/nieuwbouwopdracht voor de ASVO-school aan het Frederiksplein - inmiddels opnieuw door nieuwbouw vervangen - raakte hij echt bekend. Tot in de jaren zestig omvatte zijn opdrachtenportefeuille scholen, kerken, kinderdagverblijven, woningbouw, woonhuizen en kantoren. Daartussen bevindt zich fijnzinnig en zorgvuldig ontworpen werk waarin naar eigen zeggen altijd gestreefd werd naar een 'samenspel tussen bouwkunst en bouwkunde' en waaraan moderne Deense invloeden niet vreemd waren.
Eind jaren zestig begaf hij zich op het terrein van de restauratie, hoofdzakelijk in Amsterdam. Naast praktiserend architect was Knijtijzer lange tijd secretaris van Architectura et Amicitia, bestuurslid van de Academie van Bouwkunst, lid van de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg en van de welstandscommissies in Amsterdam, Blaricum, Naarden en Heemstede. Als lid van de zgn. Commissie Dooijes, ingesteld door de Amsterdamse gemeenteraad, deed Knijtijzer vanaf de jaren zestig samen met Aat Evers jarenlang inventariserend onderzoek naar monumentale jongere bouwkunst in de stad, dat de basis zou vormen voor het Monumenten Selectie Project (Rijk) en het Gemeentelijk Monumenten Project.
Overige belangrijke werken in Amsterdam: grachtenpand met boekwinkel Lankamp & Brinkman, Spiegelgracht, hoek Kerkstraat (1952-1962); winkels met bovenwoningen, Burgemeester De Vlugtlaan (1954-1955); MKD Kabouterhuis, Amsteldijk (1955-1979); ANWB-kantoor en appartementen, Museumplein (1956-1958); Kweekschool voor de Detailhandel, Treublaan, hoek Weesperzijde (1956-1960).