Stedenbouwkundige context
Het uit arbeiderswoningen bestaande bouwblok aan de Trompenburgstraat 21-43 vormt tezamen met het naastgelegen blok arbeiderswoningen op de nrs. 45-95 een opmerkelijke ‘vreemde eend in de bijt’ in de Rivierenbuurt. Deze buurt maakt deel uit van het ambitieuze en internationaal vermaarde ‘Plan Zuid’ uit 1915-1917, naar ontwerp van architect H.P. Berlage. Dit vroeg twintigste-eeuwse antwoord op de vraag hoe men functioneel en esthetisch een stadsuitbreiding moest ontwerpen is in de ware zin van het woord ‘stadsbouwkunst’. Karakteristiek is de samenhang tussen de hiërarchische en bloksgewijze stedenbouwkundige opzet, de architectuur van de straatwanden en de aandacht voor het sculpturale detail. Plan Zuid heeft een geheel eigen karakter door de individuele woning ondergeschikt te maken aan de straatwand, met een doordachte compositie van grote woonblokken. In zijn stedenbouwkundige structuur wordt het plan gekenmerkt door lange en door monumentale gevelwanden omzoomde lanen die in oost-westrichting de belangrijkste verkeersroutes vormen, en kleinschalige woonbuurten met lagere bebouwing die mede dankzij korte en gekromde straten juist een besloten karakter hebben. Aan de uitgangspunten monumentaliteit en intimiteit is in belangrijke mate bijgedragen door de architectuur, die binnen de voorwaarden van het stedenbouwkundig plan werd ontworpen door vooraanstaande architecten die merendeels gezamenlijk bekend staan als de ‘Amsterdamse School’.
De Trompenburgstraat neemt in dit kader een uitzonderlijke positie in. Deze straat is aangelegd in 1898 en moet worden gezien tegen de achtergrond van de zich in de negentiende eeuw alsmaar verder uitdijende stad. Het nabijgelegen tracé van de Amstel vormde daarbij een uitgangspunt, met vanaf de Amsteldijk aan te leggen straten, veelal ter plekke van het bestaande parcours van kavels, sloten en paden. De aanleg van de Trompenburgstraat hing samen met de bouw van de Spijker-autofabriek in 1898-1899, ter plekke van de in 1828 gesloopte buitenplaats Trompenburg. Het bouwblok met arbeiderswoningen op de nrs. 21-43 ontstond tezamen met de tegenoverliggende fabriek vanuit één plan. In 1915 werd het naastgelegen bouwblok op de nrs. 45-95 gebouwd. Tezamen met de fabriek leidden de betreffende arbeiderswoningen tot het nog negentiende-eeuwse karakter van de Trompenburgstraat, met de monotone opzet die men in het Plan Zuid juist wist te doorbreken. De negentiende-eeuwse uitstraling van de Trompenburgstraat is deels teniet gedaan door de sloop van de fabrieksgebouwen in 1993 en de bouw van enkele opmerkelijke nieuwbouwcomplexen met een gevarieerde opzet en juist lichte materiaalkeuzes.
De nrs. 45-95 zijn gesitueerd in het oostelijke deel van de straat en behoren tot een evenwijdig aan de straat gelegen bouwblok dat behalve door de Trompenburgstraat wordt omsloten door de President Kennedylaan, de Uiterwaardenstraat en de Gaaspstraat. Het complex bevindt zich aan de zuidzijde van de straat en sluit rechts aan op belendende bebouwing. Links wordt het door een smalle doorgang gescheiden van het bouwblok uit 1898. De woningen wijken terug ten opzichte van dit blok en sluiten via bijbehorende tuintjes aan op de rooilijn.
Gebouwtype en bouwgeschiedenis in hoofdlijnen
Het bekende architectenbureau Gulden en Geldmaker leverde in 1913 het ontwerp voor het twee jaar later in gebruik genomen complex. Het blok heeft een rechthoekige plattegrond en bestaat uit drie bouwlagen met een afwisseling van drie vierlaagse middenpaviljoens en twee hoekpaviljoens die eveneens vier bouwlagen tellen maar op de hoeken worden geleed door een torenachtige opzet die een halve bouwlaag hoger is. In de opzet met paviljoens wordt gerefereerd aan klassieke paleisfaçades. De kapverdiepingen tussen de paviljoens zijn opgenomen in zadeldaken. De paviljoens zelf hebben een afgeplat omlopend schilddak. Enkele bakstenen schoorstenen sluiten aan op de nok van de daken. De diverse beneden- en bovenwoningen zijn enerzijds bereikbaar via portieken met aansluitende trappenhuizen met een toegangsbordes met aanpalende ingangen. Anderzijds is het complex ontsloten door ingangen die direct vanaf de straat bereikbaar zijn.
Architectonische verschijningsvorm
Exterieur
De verschijningsvorm van het bouwblok wordt gekenmerkt door een sobere en symmetrische bouwmassa met een regelmatige afwisseling van lagere bouwdelen en tussenliggende hogere paviljoens, waarvan het centrale paviljoen en de hoekpaviljoens naar voren springen. De voorgevel is in rozebruine baksteen in kruisverband gemetseld en vlak gehouden. Vensters en ingangspartijen vormen verticale gevelaccenten die bepalend zijn voor de ritmiek van de gevelindeling. De drie middenpaviljoens en de hierop aansluitende lagere bouwdelen zijn elk voorzien van een centraal portiek met een trappenhuis, met boven de portiek in het middelste paviljoen een in 1927 geplaatste zandstenen herdenkingssteen met tekst. De portieken worden geflankeerd door een op de straat aansluitende ingang met een oorspronkelijke paneeldeur met een 4-ruits raampje. In de hoekpaviljoens zijn eveneens centrale portieken gesitueerd, ditmaal met aan weerskanten een venster dat - ten opzichte van de erkervormige uitbouwen die lateraal op deze paviljoens aansluiten - wordt afgewisseld door een ingang. De vierlaagse erkeruitbouwen zijn voorzien van een plat dak en accentueren de torenachtige hoekopzet van de paviljoens. Aan de voorzijde zijn de erkers voorzien van een driedubbel gekoppeld venster met smalle nevenlichten. In de erkerwangen bevinden zich smalle nevenlichten. De torenachtige hoekopzet van de paviljoens wordt versterkt door de steekkappen die op het paviljoendak aansluiten. Bakstenen siermetselwerk verlevendigt de dagkanten van de diverse gevelopeningen van het bouwblok, waardoor opnieuw een verticaal accent wordt verkregen. Het merendeel van de gevelopeningen is opgenomen in stroken van telkens twee naast elkaar gelegen vensters dan wel balkoningangen met een ‘Frans balkon’; al deze gevelopeningen hebben vernieuwde houten invullingen. De balkons zijn uitgevoerd in beton en hebben een ijzeren hekwerk dat wordt ingeklemd tussen bakstenen wangen met een zandstenen sierblok. Ter hoogte van bovengenoemde portieken en trappenhuizen zijn de bovenverdiepingen voorzien van symmetrisch geplaatste smalle vensters van verschillende maatvoering, waarvan de exemplaren in de tweede bouwlaag gekoppeld zijn. Behalve de diverse verticale accenten is de voorgevel ook verlevendigd door enige horizontale accenten, waaronder de bakstenen rollagen die de gevel doorspekken. Aan de onderzijde van de goten is de gevel gedecoreerd met bakstenen siermetselwerklijsten. Alle dakschilden zijn gedekt met rode verbeterde Hollandse pannen.
Interieur
Het interieur van het complex is niet bekeken en niet bij de beoordeling betrokken. Mogelijk is er nog sprake van een monumentwaardige indeling en/of interieurelementen.
Cultuurhistorische context
Z.D.J.W. Gulden (1875-1960). M. Geldmaker (1874-1930) waren gespecialiseerd in volkshuisvesting. Het bureau Gulden & Geldmaker, dat omstreeks 1908-1910 werd opgericht, behoort tot één van de meest productieve gedurende het interbellum. Gulden en Geldmaker waren beiden sterk politiek-maatschappelijk geëngageerd en speelden een rol in de toenmalige SDAP. Verder vervulden zij functies als hoofdbestuurders van de Vereniging van Nederlandse Bouwkundige Opzichters en Tekenaars. Met name Gulden was op dit gebied zeer actief onder andere als één van de oprichters van de Amsterdamse Bond van Gemeenteambtenaren en (mede)oprichter van een aantal woningbouwverenigingen. Binnen het bureau was zijn sterke punt het ontwerpen van woningplattegronden en het binnenhalen van opdrachten, terwijl Geldmaker meestal voor de gevelontwerpen tekende. Op hun bureau werkten in de loop der jaren verscheidene andere architecten zoals J.J.B. Franswa, I. Blomhert, S. van Woerden en J. H. van den Broek.
Behalve complete woningcomplexen, ontwierpen Gulden en Geldmaker ook woningplattegronden voor bekende projecten van andere architecten als H.P. Berlage, J.M. van der Mey, J.F. Staal en Margaret Staal-Kropholler. Zij experimenteerden op het gebied van woongebouwen met woningplattegronden en centrale voorzieningen in relatie tot het behoud van het gezin als zelfstandige eenheid (dit in tegenstelling tot communistische visies waarbij het gezin opging in de gemeenschap). Eén van Guldens weinige artikelen op het gebied van architectuur ageert tegen het door Berlage voorgestelde standaardwoningtype: volgens Gulden heeft elke groep eigen behoeftes en financiële capaciteiten, daarop moet de architect - naar wens aanpasbare - woningtypes ontwikkelen.
Na het overlijden van Geldmaker in 1930 ging Gulden samen met G. Husslage door met het bureau. Tot het naoorlogse werk behoort het Arie Kepplerhuis (voor werkende echtparen) in Amsterdam uit 1952 dat een voortzetting is van de genoemde experimenten.
De architectuur van het bureau is gedurende de jaren dat Geldmaker er tekende een sobere variant op de Amsterdamse School, bestaande uit compacte woonblokken met een massief karakter die voorzien zijn van subtiele, expressieve detailleringen. Na Geldmakers dood kreeg de architectuur een strakker karakter waarbij de accentuering van hoek- en middenpartijen bleef. Het is niet bekend of Gulden ook aan de wieg stond van de woningbouwvereniging “Amsterdam Zuid” die het uit 1913-1915 daterende blok aan de Trompenburgstraat 45-95 liet bouwen. De bouw hing vermoedelijk samen met de eertijds tegenover gelegen wagenfabriek van Spijker (Trompenburgfabriek).
Trompenburgstraat 45-95 is karakteristiek voor de vroege fase in het oeuvre van Gulden en Geldmaker. Het blok sluit volkomen aan bij de hierboven geschetste vormgeving van hun vroege ontwerpen. Andere karakteristieken zijn de symmetrische opzet en de toepassing van zadeldaken en afgeplatte schilddaken. De gevarieerde opzet wordt versterkt door de ‘Franse balkons’ die de voorgevel een plastisch aanzicht geven en die het architectenbureau op een vergelijkbare manier ook toepaste bij het iets later gebouwde woningbouwcomplex aan de Eerste Atjehstraat e.o. (1915-1916). In 1983 is het complex aan de Trompenburgstraat gerenoveerd.
Conclusie
Het complex neemt in het vanaf 1917 uitgevoerde ‘Plan Zuid’ een bijzondere positie in doordat deze arbeiderswoningen nog zijn gerealiseerd voordat gestart werd met dit plan. Hierdoor zijn ze een relict van de in het betreffende deel van Amsterdam al in de late negentiende eeuw op gang gekomen, nog prestedelijke bebouwing en hebben daarmee stedenbouwkundige waarde. Bovendien zijn beide blokken als ensemble bepalend voor het historisch prestedelijke karakter van het hier bedoelde deel van de Trompenburgstraat dat vooral aan de zuidzijde vrij goed bewaard is gebleven. Het in de hoofdvorm en detaillering op een vrij gave wijze bewaard gebleven complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de esthetische kwaliteiten van het zorgvuldig vormgegeven ontwerp dat wordt bepaald door een symmetrische en met een regelmatige ritmiek ingedeelde bouwmassa. Het bouwwerk is een goed voorbeeld van het vroege oeuvre van de Amsterdamse architecten Z. Gulden en M. Geldmaker die een belangrijke rol speelden op het gebied van de vernieuwende volkswoningbouw. Het complex heeft cultuurhistorische waarde doordat het tezamen met de naastgelegen arbeiderswoningen uit 1898 verwijst naar de verdwenen fabrieksactiviteiten aan de Trompenburgstraat.
Bronnen en literatuur
Archief Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam
Fraenkel, F.F., Het Plan Amsterdam Zuid van H.P. Berlage, z.p. 1976
Gaillar, K. & Dokter, B. (red.), Berlage en Amsterdam en Zuid, Amsterdam 1992
Gemeentearchief Amsterdam, Beeldbank
Kruidenier, M., Z.D.J.W. Gulden (1875-1960) en M. Geldmaker (1874-1930). Specialisten in volkshuisvesting, Rotterdam 2003 (Bonasreeks)
Melger, R., e.a., Monumenten van de Amsterdamse volkshuisvesting. Het tweede leven van de vooroorlogse sociale woningbouw, Amsterdam 1993
Meijer, R. (eindred), Atlas Gordel 20-40, Amsterdam 2000
Meijers, M.J., Volkshuisvesting. De architecten en de woningbouw X. De woning van binnen, in: Bouwkundig Weekblad, 38 (1917)
Ottens, E., Ik moet naar een kleinere woning omzien want mijn gezin wordt te groot, (Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting) Amsterdam 1985
Paulen, F., e.a., Atlas sociale woingbouw Amsterdam, Amsterdam [1992]
Werf, J. van der, Toelichting beschermd stadsgezicht Plan Zuid, Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam, concept 2003