Stedenbouwkundige context
Het onderhavige complex bevindt zich in het stadsdeel Zuid, en behoort tot het door middenstandswoningen gedomineerde gebied dat ontstond in het kader van het zogenoemde ‘Plan Zuid’. Dit uitbreidingsplan uit 1915-1917, naar ontwerp van architect H.P. Berlage, vormt het begin twintigste-eeuwse antwoord op de vraag hoe men functioneel en esthetisch een stadsuitbreiding moest ontwerpen en is in de ware zin van het woord ‘stadsbouwkunst’. Karakteristiek is de samenhang tussen de hiërarchische en in hoofdzaak bloksgewijze stedenbouwkundige opzet - van hoofdassen tot intieme pleintjes - , de architectuur van de straatwanden en de aandacht voor het sculpturale detail. Hogere bebouwing op de hoeken versterkt de hoofdassen en markeert de toegang tot een doordachte compositie van grote woonblokken als “einheitliches Blockfront”. Het plan hield rekening met de door woningwet en bouwverordening vastgestelde eisen mèt alle aandacht voor perspectief, coulissewerking en streng architectonisch en stedenbouwkundig opgevatte groenvoorzieningen. De structuur steunde op drie elementen: het bestaande Vondelpark/Museumkwartier, een verbinding met Oost (de latere Berlagebrug) en een Zuiderstation aan het verlengde van de Minervalaan. De stedenbouwkundige structuur van het Plan Zuid wordt dan ook gekenmerkt door lange lanen die in oost-westrichting de belangrijkste verkeersroutes vormen. Het plan is voorts aangetakt op de oude stad door de bestaande radialen uit het centrum door te trekken, waarbij monumentale effecten zijn verkregen zoals in de relatie tussen het Emmaplein, het Valeriusplein en het als een toegangspoort naar de nieuwe stad fungerende Amsterdams Lyceum. De hoofd-verkeersstraten worden in hoofdzaak geflankeerd door hoge monumentale gevelwanden. Ze omsluiten kleinschalige woonbuurten met lagere bebouwing die mede dankzij korte en gekromde straten een besloten karakter hebben. Aan beide aspecten, monumentaliteit en intimiteit, wordt verder bijgedragen door de architectuur, die binnen de voorwaarden van het stedenbouwkundig plan is ontworpen door vooraanstaande architecten die gezamenlijk bekend staan als ‘de Amsterdamse School’.
De Lutherkapel is gesitueerd op de hoek van de Gerrit van der Veenstraat en de Bachstraat en maakt onderdeel uit van een complex waartoe ook het verenigingsgebouw op nummer 38 en de voormalige kosterij op nummer 40 behoren. Kapel en annexen maken deel uit van een bouwplan van de opdrachtgever, 'Stichting Fonds voor een eigen gebouw in de zuidelijke wijk der Hersteld Evangelische Luthersche Gemeente', voor de gehele wand van de Gerrit van der Veenstraat (nummers 40-72), de Beethovenstraat (11-27) en de Corellistraat (25-27) naar ontwerp van G. J. Rutgers. Aan de Gerrit van der Veenstraat springt de kapel naar voren in de rooilijn ten opzichte van de belendende percelen met hun voortuinen. Aan de Bachstraat staat de kapel in de rooilijn en wordt begrensd door de Montessorischool, die daar in 1926 is gebouwd naar ontwerp van de Dienst der Publieke Werken. Door de situering op de hoek van twee straten en de geleding van de massa’s vormt de Lutherkapel een stedenbouwkundig markeringspunt: de hoge daken van het Grieks kruis en de toren dragen hier in het bijzonder toe bij, terwijl zij zich voegen in het gangbare beeld van gevelbehandeling en silhouetwerking in het Plan-Zuid.
Gebouwtype en bouwgeschiedenis in hoofdlijnen
De Lutherkapel is gebouwd in 1929-30 voor rekening van de 'Stichting Fonds voor een eigen gebouw in de zuidelijke wijk der Hersteld Evangelische Luthersche Gemeente'. Op 16 mei 1928 diende de opdrachtgever een aanvraag in tot het verkrijgen van erfpacht op een terrein aan de Bach-, Euterpe-, Beethoven- en Corellistraat voor de bouw van 58 woningen, winkels en een kerkgebouw (de Euterpestraat is na WOII hernoemd in Gerrit van der Veenstraat). Op 27 juni 1928 werd hieromtrent het raadsbesluit genomen. Op 11 januari 1929 volgde de indiening van het bouwplan voor de woonhuizen en het kerkgebouw. Het ontwerp dateert uit juli 1928; de voorlopige vergunning werd afgegeven op 13 september 1929. De bebouwing moest voltooid zijn vóór 16 november 1929. Dat was niet het geval voor wat de kerk betreft: architect Rutgers verzocht in mei 1929 tot uitstel van de voltooiingsverplichting omdat het kapitaal nog niet rond was, de laatste inspectie werd uitgevoerd op 8 september 1930.
In 1983 werd de Lutherkapel gesloten voor de Lutherse eredienst, waarna het gebouw werd ondergebracht in de Stichting Lutherkapel. In 1987 volgde verkoop aan de huidige eigenaar en gebruiker Stichtingbeheer fondsen van de Hersteld-Apostolische Zendingsgemeente. De plattegrond van de kerk heeft de vorm van een Grieks kruis in de hoeken waarvan de toegangs- en trapportalen zijn gebouwd. De hoofdmassa van de kerk voegt zich naar de Gerrit van der Veenstraat: daar is de gevel het breedst omdat de dakvlakken over de portalen doorlopen en één geheel vormen met het kerkdak. Op de hoek van de Bachstraat en de Gerrit van der Veenstraat vormt het portaal een prominent element; het trapportaal tussen de kerk en de belendende school maakt onderdeel uit van de torenbouw.
Het gebouw is berekend op 350 zitplaatsen.
Het clubhuis heeft sinds 1987 enige aanpassingen gekregen om afzonderlijke verhuur van de ruimten mogelijk te maken. Zo werden diverse ruimten gebruikt door muziekstudenten van het Amsterdams Conservatorium.
Architectonische verschijningsvorm
Exterieur kapel
Het lijkt of Rutgers de architectonische uitwerking van de op het Grieks kruis gebaseerde plattegrond heeft uitgewerkt als een stedenbouwkundig accent op de kruising van de Bachstraat en de Van der Veenstraat. De bouwmassa is zodanig geleed dat het hoofdaccent ligt op de hoek: een hoofdelement van de langsschepige vorm aan de Van der Veenstraat onderscheidt zich door een laag aanvangende topgevel van de dwarsvleugel aan de Bachstraat, waarvan de kap en de topgevel lager eindigen. Dit effect wordt versterkt door het doorlopend dakvlak boven het ingangsportaal dat buiten de rooilijn is uitgebouwd. De vormgeving van dit portaal met twee robuuste zuilen, het uitkragende venster even om de hoek van de Van der Veenstraat en het breed uitwaaierende piramidale venster in de gevel aan diezelfde straat versterkt dit effect.
De gevels zijn opgemetseld in bruinrode baksteen, gemetseld in kruisverband. De daken zijn gedekt met rode pannen en de torenspits is gedekt met groen geoxydeerde koperen platen. Het gebouw rust op een iets naar voren springende plint, opgebouwd uit afwisselend lagen natuursteen en baksteen. De baksteen is gemetseld in figuratief verband waarin afwisselend een L- en een T- vorm te zien valt. De gevels worden beëindigd met een topgevel. De vensters op de begane grond bestaan aan de Gerrit van der Veenstraat en Bachstraat uit respectievelijk vijf en vier gekoppelde rondbogen, die in de boogkoppen belijnd worden door bakstenen rollagen en een eveneens bakstenen uitspringende waterlijst. Een doorlopende waterlijst met daarop de natuurstenen imposten van de vensters fungeert als basis. Deze gehele venstercompositie wordt geaccentueerd door natuurstenen oreillons of geometrische klauwstukken ter hoogte van de aanzet van de bogen. Verdere ornamentiek is aanwezig in de samenkomst van de bogen waar diamantvormige natuurstenen blokken zijn aangebracht. De topgevel aan de Gerrit van der Veenstraat heeft een piramidaal opgebouwd venster dat met de gevelbelijning meeloopt; de topgevel loopt door tot boven de terzijde gesitueerde portalen. Het venster heeft bakstenen montansen en dwarsverbindingen met natuurstenen verbindingsstukken. De topgevel aan de Bachstraat is gevat tussen schouders en belijnd met rollagen, rustend op een uitspringende lijst van baksteen, en heeft een ruitvormig opgebouwd venster met bakstenen montansen en dwarsverbindingen met natuurstenen verbindingsstukken.
De twee portalen maken door de manier waarop zij zijn vormgegeven een belangrijk element uit van de gehele compositie. Zij vormen een royale, duidelijk herkenbare ingangspartij met de forse ronde zuilen, opgebouwd uit natuurstenen blokken afgewisseld met baksteen, die een uitspringend plat dak steunen waarvan de lijst zich aan de zijde van de Gerrit van der Veenstraat doorzet en eindigt in een lantaarn met glas-in-lood. De ingang aan de Gerrit van der Veenstraat is toegankelijk via een klein voorpleintje dat met een laag gemetseld muurtje met natuurstenen plint en afdekking wordt afgescheiden van de straat. In de ingang aan de Bachstraat (nu nevenadres) is een gedenksteen ingemetseld ter herinnering aan de eerste steen legging op 7 december 1929: 'Met dank aan God is op 7 december 1929 de eerste steen gelegd door ds. P. Neideck, predikant in de zuidelijke wijk en Paul Horn, penningmeester van het fonds voor een eigen gebouw in de zuidelijke wijk der Hersteld Evangelisch Lutherse Gemeente te Amsterdam'.
De eerste geleding van de toren is opgebouwd uit het vierkant, op de hoeken afgeschuind tot een onregelmatige achthoek en voorzien van pilasters. Deze geleding wordt afgesloten door een natuurstenen lijst als overgang naar een tweede, in hoogte zeer beperkte geleding, uitsluitend opgetrokken in de hoekpilasters en afgesloten door natuurstenen lijsten. Deze geleding maakt de indruk van een klokkenverdieping, op deze plaats bevond zich aanvankelijk de luidklok. De spits gaat vanuit het achtkant op tot in een obeliskachtig vierkant, gedekt met koperen platen. De luidklok is in later tijd verwijderd en staat in het portaal van de kerkingang aan de Gerrit van der Veenstraat.
Interieur kapel
De vestibule en de trap van de kapel zijn belegd met tegels in de voor dit gebouw karakteristieke kleuren zwart en rood. Een marmeren gedenksteen in de vestibule verwijst naar de ingebruikneming: 'Deze kapel werd gebouwd van 1929 tot 1930, inwijdingsdatum
14 september 1930, inwijdingstekst II Kronieken 7 vers 1B, de Stichting Fonds voor een eigen gebouw in de zuidelijke wijk der Hersteld Evangelisch Lutherse Gemeente, mevr. T. N. van Loon Egidius, ds. P. van Neideck, N. B. Spits, Paul Horn, C. H. Endert, Jan Franken jr., arch. J. H. Rutgers BNA, Amsterdam.’
In het inwendige komt de Grieks-kruisvorm duidelijk tot uiting; in de armen van het kruis zijn gaanderijen aangelegd waaraan borstweringen een krachtig horizontaal accent geven. De banken (stoelen met opklapbare zittingen) zijn boogvormig opgesteld met zicht op het podium. De ruimte wordt verlicht door de ramen in de topgevels aan de Bachstraat en de Gerrit van der Veenstraat en de gekoppelde vensters op begane grond niveau onder de gaanderijen. Het plafond in de helling van de kappen is grijs gestuct. Het kleurenschema is warm en donker zoals gebruikelijk in de Art Deco, in combinatie met kobalt blauw, turquoise (deels later aangebracht), rood en helder glas-in-lood in het grote piramidale venster en paars, rood en geel oker en bruin glas-in-lood in de rondboog ramen aansluitend bij het donkere vlammende bruin van het coromandelhouten spreekgestoelte, avondmaaltafel en de eikenhouten stoelen. Bijzonder is dat het spreekgestoelte op een rail staat, en zo 1,5 meter naar achter kan worden geschoven. Op deze wijze is het podium onder het orgel geheel leeg te maken. De deuromlijstingen zijn meer recent zeegroen geschilderd, in aansluiting op turquoise accenten in de kap. Tegen de achtergevel, die aan de Montessori-school grenst, is de orgelgaanderij gebouwd. Op de borstwering van de gaanderij staan de teksten 'Een vaste burcht is onze God' en 'Maranatha'. Het podium met spreekgestoelte staat onder het orgel: de stoelen zijn aan drie kanten naar deze plaats gericht. Het orgel is aan twee zijden rond het venster gebouwd en maakt op deze wijze deel uit van de architectonische compositie. De montansen tussen de pijpenvelden van het front worden bekroond door twee beelden. De hand van de architect is te herkennen in de gehele inrichting, die een unieke indruk van authenticiteit maakt. Het spreekgestoelte, de vaste stoelen en het orgel dateren allen uit de bouwtijd. Deze gaafheid blijkt ook uit de nog aanwezige drie verlichtingsarmaturen. De donkerbruin gebeitste leuning van de gaanderij rust op goudkleurige blokken die staan op de gestucte borstwering. Op de hoeken zwenkt de gaanderij naar binnen, zodat een bredere, rondomlopende doorgang is ontstaan.
Exterieur verenigingsgebouw
Het verenigingsgebouw, gelegen aan de Gerrit van der Veenstraat 38, telt een kelderlaag en drie bouwlagen onder een kap met plat dak en voorschild. Het gebouw is toegankelijk via hetzelfde voorpleintje dat tot de kerk behoort en toegang geeft tot de aan deze straat gelegen ingang van de kerk. De gevel is opgemetseld in bruinrode baksteen en gemetseld in kruisverband. Het voorvlak van het dak is gedekt met rode pannen in de vorm van leien. Op de begane grond bevindt zich een rondboogdeur met geprofileerde omlijsting en een venster met gekoppelde ramen met bovenlichten met glas-in-lood. Boven de ingang is in siersmeedwerk ‘CLUBHUIS LUTHERKAPEL’ aangegeven. Naast de entree is een hellingbaan, bedoeld als toegang naar de (nu verdwenen) fietsenkelder. Op de verdieping bevindt zich een venster met gekoppelde houten ramen met bovenlichten met glas-in-lood. Dit venster heeft aan de boven- en onderzijde een geprofileerde lijst.
De gevel wordt beëindigd door een brede, geprofileerde goot met aan beide uiteinden twee bewerkte klossen.
Ook aan de achterzijde zijn op de begane grond en de eerste verdieping zijn houten ramen met bovenlichten met glas-in-lood aanwezig. De zolderverdieping wordt alleen verlicht door enkele dakkoepels en een dakraampje.
Interieur verenigingsgebouw
Het verenigingsgebouw bezit vier bouwlagen. De kelder is bereikbaar via een trap in het verbindingsdeel tussen het clubhuis en de kapel. Er bevinden zich ondergronds diverse vertrekken die deels onder de kapel zijn gelegen en slechts verlicht worden door kelderlichten. Het verenigingsgebouw heeft op de begane grond een vergaderzaal rondom voorzien van een -secundair aangebrachte- geverfde houten lambrizering. Via deze zaal is een doorgang via een tussenruimte (gelegen in de oksel van de kruiskerk) naar de kerk. Er bevindt zich een grote zaal op de verdieping met een kleine counter in de hoek. Daarnaast is een deur die, via een kleine keuken, verbinding geeft tot de gaanderij van de kerk. Via een houten trap met trapbomen is de zolderverdieping ontsloten.
Cultuurhistorische context
De Lutherkapel is een van de twee Lutherse stichtingen in het Plan-Berlage en het enige nieuwbouwproject van de afgesplitste gemeente die sinds 1793 haar door de stadsarchitect Van der Hart ontworpen kerkgebouw aan de Kloveniersburgwal had. In 1951 werden beiden gemeenten weer in één kerkverband verenigd. De situering is kenmerkend voor het Plan-Berlage: deel uitmakend van een bouwblok, maar wel met aandacht ontworpen en als stedenbouwkundig accent in het stadsbeeld aanwezig.
De architect Gerrit Jan Rutgers (1877-1962) vestigde zich in 1902 in Amsterdam, waar hij van 1914-1919 werkzaam was als architect van de Afdeling Bouwwerken van de Dienst der Publieke Werken. Rutgers werd vooral bekend vanwege zijn latere werk in de trant van de ‘Amsterdamse school’, met plastische volumes en decoratieve accenten in traditionele materialen. Hij was zeer productief en ontwierp vooral woningcomplexen in de zogenaamde `Gordel 20-40'. Hij was zeer ervaren in het ontwerpen van grote complexen zoals dat aan de
Gerrit van der Veenstraat (nummers 40-72), de Beethovenstraat (11-27) en de Corellistraat (25-27). Dat men dit destijds onderkende en hem als belangwekkend architect beschouwde, blijkt uit het feit dat hij een aantal zeer in het oog springende complexen mocht ontwerpen, zoals bij de toegangen tot ‘Zuid’ aan het Amstelkanaal (bij de Rijnstraat en de Scheldestraat). Rutgers realiseerde daarnaast relatief grootschalige gebouwen in de binnenstad, zoals Grand Hotel Centraal (nu Grand Hotel Carlton) uit 1925-1929 aan de Vijzelstraat en de uitbreiding van het Hotel American (1928). Tevens ontwierp hij in het Plan Zuid een aantal vrijstaande en half-vrijstaande woonhuizen. In het Gemeentelijk Monumenten Project zijn van zijn hand onder andere opgenomen de complexen Vijzelstraat 22-28/Herengracht 513, Amstelkade 145-165/Scheldestraat 1-26/Churchilllaan 140-260/Sloestraat 1-15 en de woonhuizen Haringvlietstraat 2-10.
De architectonische uitwerking van de Lutherkapel vertoont eigenschappen die duiden op de invloed van de Amsterdamse School, de bouwstijl van dit deel van het Plan Zuid. Dit blijkt uit de geprononceerde dakpartij als prominent onderdeel van de bouwmassa en de compositie van de gevels die wordt bepaald door bakstenen vlakken en als het ware sculpturaal behandelde vensters. De wijze waarop de toegangen zijn behandeld en ornamenten zijn geplaatst, geeft reliëf met dieptewerking en licht/donkereffecten aan de gevelcompositie.
Als kerkgebouw is de Lutherkapel een opvallende creatie, in het bijzonder door de zeer unieke en met zorg in stand gehouden, interieurwaarden. Het bijzondere kleurenschema en de gekozen materialen is voor het Amsterdamse kerkenbestand uit deze periode uniek te noemen en vertoont verwantschap met het oeuvre van de architect Ferdinand Jantzen in de Jeruzalemkerk en de Maarten Lutherkerk.
Conclusie
Het complex - bestaande uit de Lutherkapel (met toren) en het verenigingsgebouw -vertegenwoordigt stedenbouwkundige waarde vanwege de markante positie die het inneemt in het door Rutgers ontworpen bouwblok Gerrit van der Veenstraat - Bachstraat- Corellistraat. De toren heeft bovendien stedenbouwkundige waarde als oriëntatiepunt in de omgeving. Daarnaast heeft de kapel architectonische waarde vanwege het zorgvuldige ontwerp en de esthetische kwaliteiten van in- en exterieur. De hoge daken van het Grieks kruis en de toren bepalen het exterieur, opgebouwd in rode baksteen, natuursteen, rode pannen en koper. De binnenruimte heeft een open kap met vrij zicht op de rondomlopende gaanderij en de piramide- en ruitvormige vensters in de hoge topgevels. Gekleurd glas en donkere houtsoorten en verlichtingsarmaturen uit de bouwtijd bepalen de stemming van de ruimte. De spreekstoel, de armaturen en het glas--in-lood van de twee grote kerkvensters bezitten kunsthistorische waarde. De Lutherkapel is van architectuurhistorisch belang vanwege het unieke karakter (zeldzaamheid) van het gaaf bewaarde interieur. De vormgeving in de geest van de Amsterdamse School met een neiging naar Art Deco maakt dit gebouw tot een uniek tijdsdocument.
Het verenigingsgebouw of clubhuis kent een -voor zijn doel passend- sobere vormgeving waarbij alleen in de twee hoofdruimten glas-in-lood bovenlichten als decoratie zijn toegepast. Voor het overige bezitten de interieuronderdelen van het clubhuis uit oogpunt van monumentenzorg geen monumentale waarde.
Bronnen en literatuur
GAA, archief 5180, 1928/3582, 1929, no. 1216, 1929, 56/136,1929, 61/55.
Archief Bouw- en woningtoezicht stadsdeel Zuid
Gemeenteblad 1928, voordracht van 27 juni 1928 no. 611