Stedenbouwkundige context
Het voormalig kantoor van de ANWB met woningen is gelegen aan de zuidoostzijde van het Museumplein, in het stadsdeel Zuid. Deze buurt behoort tot de negentiende-eeuwse uitbreidingswijken van Amsterdam, maar is niet zoals andere delen van de nieuwe ring verkaveld volgens het in 1877 vastgestelde plan Kalff. Het gebied achter het Rijksmuseum werd door de overheid gereserveerd voor een voorname woonwijk, waarvoor in 1891 een afzonderlijk plan werd gemaakt door P.J.H. Cuypers en Jac. Ankersmit. Cuypers had inmiddels het Rijksmuseum gerealiseerd (1885) en ook het aan de andere zijde van het Museumplein gelegen Concertgebouw was al gebouwd (1888). De wijk rond het plein kreeg een waaiervorm, met op het museum aansluitende radialen waarop diverse dwarsstraten werden aangetakt, te weten de Hobbemastraat, de Honthorststraat en de Van de Veldestraat. Aanvankelijk was het Museumplein vooral in gebruik voor sportevenementen en tentoonstellingen, na de oorlog kwam hier de 'kortste snelweg' van Nederland, en in 1992 werd het heringericht volgens ontwerp van de stedenbouwkundige en architect Sven-Ingvar Andersson.
Van de plannen van Cuypers en Ankersmit werd op verschillende plaatsen afgeweken. Tussen 1878 en 1902 (het jaar waarin men het besluit nam tot uitvoering van de plannen) zou de bebouwing van de Museumpleinbuurt dan ook weinig stelselmatig verlopen. De in het noordwestelijke deel van de nieuwe wijk gelegen P.C. Hooftstraat raakte het eerst bebouwd, in de jaren tachtig gevolgd door de Jan Luijkenstraat. Bij de aanleg van eerstgenoemde straat was al rekening gehouden met het tracé van dwarsstraten als de Honthorststraat. Na de afbraak van een waskaarsenfabriek in 1906 raakte dit gebied langzaam volgebouwd volgens een door Lambrechtsen van Rithem aangepast plan van Cuypers. Omdat bezorgdheid over de architectonische kwaliteit van de te bouwen huizen had geleid tot de oprichting van een eerste welstandscommissie (de Commissie van advies inzake de bebouwing van Gemeentebouwterreinen in Amsterdam) kwam de bebouwing in de nieuwe buurt voor een groot deel tot stand onder haar supervisie. De blokken direct langs het Museumplein werden in hoofdzaak bebouwd met vrijstaande villa's, en in de straten daarachter kwamen aaneengesloten blokken met ruime herenhuizen.
De kavel van het onderhavige gebouw bleef om onbekende reden onbebouwd tot dit pand in 1958 verrees. Het forse vrijstaande gebouw ligt net iets terug van de straat en heeft voor de zuidwestelijke helft een ondiepe voortuin en voor de noordoostelijke helft ligt een verharde strook in aansluiting op het trottoir. Ten zuidwesten ligt aan de zijkant van het gebouw een inrit naar een dubbele garagebox die via een deurportaal met het bouwwerk verbonden is. Aan de noordoostelijke zijkant is er een smalle strook grond tussen het gebouw en het tuinhek van het buurpand, en aan de achterzijde bevindt zich een ondiepe groenstrook. Aan het Museumplein staan ter weerszijden van het gebouw andere grote vrijstaande panden, aan de achterzijde aan de Johannes Vermeerstraat staat alleen laagbouw.
Gebouwtype en bouwgeschiedenis in hoofdlijnen
Het gebouw is in zijn functie bijzonder, omdat het enerzijds een woongebouw met appartementen is en anderzijds tot voor kort een ANWB-kantoor met winkel herbergde. Het gebouw bestaat uit een groot blokvormig vijflaags gedeelte, waarvan de zuidwestelijke helft drie appartementen bevat (nummer 7) en de noordoostelijke helft de kantoorruimten (nummer 5). De rechter ingang geeft via een gemeenschappelijk trappenhuis toegang tot de woningen, de linker tot het kantoordeel. De woningen zijn met een trap en een lift ontsloten. Op de begane grond liggen de bergingsruimtes van de verschillende woningen. Bewoners van de woning op de verhoogde begane grond verdieping hebben aan de achterzijde een gastenverblijf die bereikbaar is via een wenteltrap, gelegen in het midden van de centraal gelegen hal. Tevens is er een ontsluiting via het algemene trappenhuis.
De woningen op de eerste en de derde verdieping moeten de tweede verdieping delen. De bewoners op de eerste verdieping hadden oorspronkelijk slaapvertrekken en dienstbodekamers aan de achterzijde, die van de derde aan de voorzijde. De constructie van de woningen bestaat uit een draagstructuur van kolommen met invullingen voor de buitenmuren en de scheidingswanden. Op die manier is er een grote flexibiliteit in de plattegrond en in de afsluiting van de gevels ontstaan. De keuken in de noordoosthoek is bij alle woningen op dezelfde plek gebleven en ook de brede, als hal fungerende gang ligt als ontsluiting van de vertrekken aan voor en achterzijde nog steeds in het centrum van de woningen. Voor het overige zijn de slaapvertrekken en de badkamer achter op verschillende wijze gecombineerd en zijn ook aan de voorzijde kamers samengevoegd of in omvang gewijzigd. Dit betekent dat de plattegrond is aangepast aan de eigentijdse woonbehoeften. Een koppeling van woonkamer aan de eetkamer via een pantry is niet meer gewenst, dus pantry en keuken zijn samengevoegd of dienstbodekamers zijn veranderd in kinderkamers of logeerkamers. Op de derde verdieping hebben de bewoners de badkamer samengevoegd met de slaapkamer. Ook is het balkon in het verlengde van de keuken aan de achterzijde op de tweede en derde verdieping met glas dichtgezet, hetgeen ook geldt voor het balkon in de zuidwesthoek op de eerste verdieping. Op het platte dak ligt aan de zuidzijde een terras dat in 1995 is omgevormd tot een eenvoudig penthouse.
De verdiepingen van het kantoorgedeelte aan de noordzijde heeft wisselende indelingen gekend. Aanvankelijk omvatte dit deel nog een dienstwoning. Aan de noordkant is er een eenlaags aanbouw waarin de ANWB-winkel was gevestigd en die in 1976-1977 uitgebreid is. De kantine van het ANWB gebouw bevond zich op het dak, evenals een ruimte voor installaties. Ten zuiden van het pand staat teruggetrokken ten opzichte van de straat een dubbele garagebox, die bij het oorspronkelijke ontwerp hoort
Architectonische verschijningsvorm
Exterieur
Het gebouw onderscheidt zich door zijn moderne vormgeving van de overige bebouwing van het plein uit het begin van de 20ste eeuw. De architectuur kenmerkt zich door een eenvoudige hoofdvorm met platte daken, met een horizontale geleding van de gevel en grote vensters en door de constructie en het materiaalgebruik in de vorm van een zichtbare betonskelet-constructie en stalen venstervullingen, en tenslotte ook door het lichte kleurgebruik van gevelzones met lichtgele baksteen en wit geverfde onderdelen van het skelet en de venstervullingen. De gevels van het gebouw verraden de interne structuur van het gebouw.
De compositie van de voorgevel bestaat uit met grote glazen gevels vormgegeven hoeken waarin de betonnen constructie duidelijk zichtbaar is en een breed, uit geel baksteen opgetrokken vlak waarin rechts op elke verdieping een tweetal vensters zijn aangebracht en links een klein raampje op de plek van het trappenhuis. De schoonheidscommissie had indertijd aangedrongen op de toepassing van rood baksteen, om het gebouw meer in overeenstemming met de bebouwing in de omgeving te brengen. Op de bouw werd echter een vracht gele stenen afgeleverd, omdat er geen rode bakstenen meer te krijgen waren. Over alle gevels lopen wit geverfde, betonnen banden die de verdiepinghoogtes aangeven en het sober vormgegeven gebouw maat en schaal verlenen. De ingang van de winkel was ondergebracht in een doos die naar de zijkant uitsteekt, waarvan de gevels aan voor- en zijkant geheel van ramen zijn voorzien. Deze is bij de laatste verbouwing verwijderd. De luifel van de woningen die bestaat uit een glas ingevuld raamwerk wordt omhoog gehouden door trekstangen, maar staat op holle buizen op betonnen poeren, die tegelijk als waterafvoer dienst doen.
De deels verdiept liggende balkons met stalen balustrades op de rechterhoek geven aan dat zich hierachter vrij grote appartementen bevinden. Omdat deze appartementen voor het grootste deel van glas voorzien zijn, bleef er aan de zuidoostzijde nog een smal, geheel gesloten vlak van geel baksteen over. De zuidwestgevel kent een soortgelijke compositie. Het penthouse en de dakopbouw zijn geheel uitgevoerd in witgepleisterd beton. Opvallend element hier is het middengedeelte, dat een trapopbouw heeft die met een ronde vorm naar voren uitsteekt: dit is het enige niet-orthogonale element in het exterieur. Een balustrade vormt de beëindiging van de gevels rondom zodat het appartementengebouw ondanks de moderne vormgeving toch de allure krijgt van een palazzo.
Interieur
Door de toepassing van de grote vensters in de zuidwesthoek van de appartementen en aan de achterzijde zijn lichte ruimtes ontstaan. De brede gang van waaruit lange zichtlijnen zijn ontstaan naar de woonvertrekken, vergroot de ruimtelijke werking van openheid in de woningen. Van de oorspronkelijke afwerkingen is alleen in de gemeenschappelijke ruimtes nog iets over en in de spiltrap van de woning op de verhoogde begane grond verdieping. De binnenkomsthal bij de lift kreeg door de bekleding van de muren met travertijn een luxueus karakter. De gemoffeld ijzeren trap heeft een met rood kunststof omklede leuning. De steektrap gaat vanaf derde verdieping verder als wenteltrap. De uitvoering is typisch voor het modernisme van de jaren vijftig. De aantreden van de betonnen trapvluchten hebben een holle vorm. De spiltrap tussen de verhoogde begane grondverdieping en de begane grond bestaat uit een sierlijke ijzeren trapboom in het midden waardoor de uiteinden van de traptreden vrij liggen. Een al even sierlijke ijzeren trapleuning begeleidt de bezoeker naar beneden.
Cultuurhistorische context
De bouw van het ANWB hoofdgebouw is nauw verbonden met toenemend autogebruik in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Er werden in die tijd verschillende ANWB-vestigingen in het land geopend. Dat er ook woningen in het pand werden opgenomen, was het gevolg van plaatselijke bouwvoorschriften.
Het gebouw is in 1958 ontworpen door de Amsterdamse architect Herman Knijtijzer (1914-1994). Deze behaalde in 1934 het einddiploma van de MTS-bouwkunde, waarna hij zich in het architectenvak bekwaamde bij achtereenvolgens het bureau van de gebroeders Baanders, G.H. Holt, J.P. Kloos en, met een onderbreking tijdens de bezetting, tien jaar lang bij de Amsterdamse antroposofische architect J.J. van der Linden. Tijdens de verbouwing van de Industrieschool voor meisjes aan de Weteringsschans (nu onderdeel van het Barlaeusgymnasium) vestigde hij zich in 1946 als zelfstandig architect. Met enkele verbouwingsopdrachten haalde hij de vaktijdschriften (winkelpand Nieuwendijk en pakhuis Keizersgracht voor uitgeverij Swets & Zeitlinger). Met de nieuwbouw van de ASVO-school aan het Frederiksplein - inmiddels opnieuw door nieuwbouw vervangen - raakte hij echt bekend. Tot in de jaren zestig bevatte zijn opdrachtenportefeuille ontwerpen van scholen, kerken, kinderdagverblijven, woningbouw, individuele woonhuizen en kantoren. Daartussen bevindt zich fijnzinnig en zorgvuldig ontworpen werk waarin, naar eigen zeggen, altijd gestreefd werd naar een 'samenspel tussen bouwkunst en bouwkunde'.
Vanaf eind jaren zestig begaf hij zich hoofdzakelijk in Amsterdam op het terrein van de restauratie. Naast praktiserend architect was Knijtijzer lange tijd secretaris van Architectura et Amicitia, bestuurslid van de Academie van Bouwkunst, lid van de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg en van de welstandscommissies in Amsterdam, Blaricum, Naarden en Heemstede. Als lid van de zogenoemde Commissie Dooijes, ingesteld door de Amsterdamse gemeenteraad, deed Knijtijzer vanaf de jaren zestig samen met Dick Dooijes en Aat Evers jarenlang inventariserend onderzoek naar monumentale jongere bouwkunst in de stad.
Overige belangrijke werken in Amsterdam zijn de winkels met bovenwoningen, Burg. de Vlugtlaan (1954-1955); woningbouw Jan Evertsenstraat/Derkinderenstraat (1958-1961, ook in het Gemeentelijk Monumenten Project opgenomen) en de Kweekschool voor de Detailhandel, Treublaan (1956-1960).
Het ontwerp van het onderhavige gebouw is uitgevoerd in een modernistische stijl die min of meer typisch mag worden genoemd voor de jaren vijftig en zestig. Juist de combinatie van een duidelijk zichtbaar betonskelet, dat de gevelgeleding grotendeels bepaalt, en bakstenen geveldelen is kenmerkend. De flexibele indeling van de plattegrond die door de kolommenstructuur mogelijk werd gemaakt, zagen de pioniers van het Nieuwe Bouwen in binnen en buitenland (denk aan J. Duiker en Le Corbusier) als een verworvenheid van de nieuwe technische mogelijkheden beschouwd. Eveneens kenmerkend is de sobere esthetische vormgeving van het ontwerp, zonder opvallende, maar strak uitgewerkte detaillering. Meest opvallende onderdeel is het reeds genoemde ronde trapopbouw die voert naar het penthouse: dit lijkt een expliciete verwijzing te zijn naar het werk van de beroemde avant-gardistische architect Le Corbusier.
Conclusie
Het gebouw heeft stedenbouwkundige waarde, omdat het zich wat schaal betreft goed voegt in de historische context van het Museumplein, maar door zijn moderne vormgeving sterk opvalt. Ook vertegenwoordigt het pand zowel in opzet, constructie en vormgeving aanzienlijke architectuurhistorische waarde, als voorbeeld van het na-oorlogse Nieuwe Bouwen en als belangrijk werk in het oeuvre van Herman Knijtijzer, een voor Amsterdam belangrijk architect. Het bouwwerk is wat het exterieur betreft zowel in hoofdvorm als in detail goed bewaard gebleven. Het gebouw vertegenwoordigt daarnaast cultuurhistorische waarde vanwege de relatie die het heeft met de ontwikkeling van het autogebruik en het toenemend belang van massatoerisme, zij het dat de ANWB niet meer in het pand gevestigd is.
Gebruikte bronnen en literatuur
Walter Hoogerwerf , H. Knijtijzer (1914-1994). Architectonische waarden, achter de rooilijn verscholen, Rotterdam 2000.
Archief Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam
J. Schilt, S. Mulder, Jonge architecten in de wederopbouw1940-1960, Bussum 1993.